| Boekloze bibliotheken | Bibliotheekblad | 07-09-2005 |
| De actuele boodschap van filmmaker George Clooney | Filmvalley | 25-02-2006 |
Als ‘president watcher’ ben ik in de meest bijzondere bibliotheken van Amerika geweest. Ik doel op het wonderlijke fenomeen van de presidentiële bibliotheken. Ik herinner me een bezoek aan de Nixon ‘bibilotheek’ vlakbij Los Angeles in diens geboortedorpje Yorba Linda. De directeur leidde mij rond. We bezochten één van de pronkstukken: de buitengewoon luxueuze limousine waarmee de president altijd was vervoerd.
Natuurlijk, dat zegt wel iets over de politicus en mens Nixon. Hij stond erom bekend te leven als een vorst en hield er een soort van middeleeuwse hofhouding op na. De kinderen Nixon zijn toevalligerwijs ook allemaal naar machtige Engelse koningen vernoemd. Hij schafte zich de duurste auto ter wereld aan voorzien van de meest luxueuze en veiligheidssnufjes. Bij een aanslag kon deze wagen zelfs op lekke banden nog een snelheid van tachtig kilometer halen.
Deze extravagantie zegt al iets over het ‘boven de wet staan’ van Nixon. Moeiteloos betrek ik het Watergate-schandaal bij deze observatie. Wat zit hier achter? Welke ideeën? Ik wil meer weten. Maar waar zijn de boeken? Ik zie ze niet.
Ik was ook in de Reagan-bibliotheek op een heuvel in Simi Valley aan de andere kant van Los Angeles. Daar liggen diens cowboyattributen prominent uitgestald voor het grote publiek: zijn cowboylaarzen, cowboyhoed en kano tot en met het prikkeldraad dat zijn ranch in Californië omspande. Voor de vele bezoekers zijn het welhaast heilige relikwieën, ze willen ze aanraken.
Zegt prikkeldraad iets over een president? De directeur hier legde me uit: ‘We willen laten zien dat de Reagans veel werk op de ranch zelf deden, van het dak repareren tot het aanleggen van de paden rond het huis.’
In dit museum moest Reagan de ‘spirit of the West’ uitstralen. De ultieme boodschap: je kunt alles bereiken als je maar wilt en die ‘can do’-mentaliteit bracht hij mee naar Washington. Ik kreeg hier een kijkje in de ziel. Maar ik wil verder kijken. Maar alweer: waar zijn de boeken?
Je moet maar durven om zo’n, althans voor het grote publiek, boekloos museum een presidentiële bibliotheek te noemen. Maar Amerika is nu eenmaal ‘the Republic of Entertainment’ en alle cultuuruitingen worden dan ook geïnfecteerd door het ‘disney-virus’. De presidentiële bibliotheek als themapark dus.
Het betreft hier een virus wat ook gewone bibliotheken in zijn niets ontziende kaalslag heeft bereikt. Neem San Francisco waar in de nieuwe bibliotheek de boeken zo moeilijk zijn te vinden dat een actiecomité opriep het complex maar te slopen. De ‘Koolhaas-bibliotheek’ in Seattle heeft gelukkig 32 procent van het oppervlak bestemd voor boeken en dat schijnt in deze moderne digitale tijd heel veel te zijn.
Wanneer een nieuwe Amerikaanse president aantreedt wil ik me zo snel en zoveel mogelijk inlezen. Ja, u leest het goed: ‘inlezen’. Televisiebeelden, computerbeelden schieten voorbij. Je kunt er niet echt vat op krijgen. Bij boeken lezen komt de ziel tot rust en beklijft de stof.
Ik ben nieuwsgierig welke favoriete boeken een nieuwe president leest of in ieder geval welke hij aanbeveelt want dat laatste zegt ook al iets over hem. De grote(re) Amerikaanse presidenten zoals John Kennedy en Bill Clinton kenden hun klassiekers.
Maar hoe zit het met de bepaald niet intellectuele George W. Bush? Bush leest naar eigen zeggen in ieder geval veel biografische boeken over de Amerikaanse geschiedenis wat natuurlijk voortkomt uit zijn patriottisme.
Journalisten heeft hij onlangs toevertrouwd dat zij eens Natan Sharansky’s boek ‘The Case for Democracy: The Power of Freedom to Overcome Tyranny and Terror’ moeten lezen. ‘Dan begrijpen jullie tenminste iets van mijn buitenlandse poltiek. Sharansky dringt door tot de kern van de materie.’
Alleen al het levensverhaal van dissident Sharansky spreekt Bush aan want deze dissident is ontsnapt aan de Gulag-archipel en leeft nu in Israël als een grotere ‘havik’ dan Ariel Sharon. Hij heeft geen enkel vertrouwen in Palestijnse leiders, zelfs niet in de gematigde Mahmood Abbas.
De huidige president staat bekend als zeer pro-Israël al dwingt de huidige almaar voortdurende impasse in het Midden Oosten hem momenteel tot een wat verzoenlijker koers richting de Palestijnse Autoriteit.
Sharansky heeft al jaren een eenvoudig moreel kompas: ‘Je bent voor ons of tegen ons’. Dat klinkt ons bekend in de oren. Bush is zo enthousiast over Sharansky dat hij hem zelfs noemde in zijn inaugurele toespraak.
En Bush kan de Sharansky-boeken nog wel eens meer nodig hebben de komende tijd. In Irak zijn voor het moment succesvolle verkiezingen gehouden maar van stabiliteit is geen sprake. Sharansky heeft totaal geen vertrouwen in verkiezingen die gehouden worden in landen waar geen democratische traditie is. Daar wordt gemanipuleerd, daar zijn de geesten nog niet rijp voor een echte keuze uit diverse politieke richtingen, aldus de huisfilosoof van Bush.
Sharansky heeft een test voor de democratie ontwikkeld: ‘Wie op het plein van een stad of dorp luidkeels een van de regering afwijkend standpunt mag verkondigen zonder vervolgd te worden kan pas echt zeggen dat hij in een democratisch land woont.’
Die Sharansky-these kan Bush nog wel eens in stelling brengen wanneer hij een wat langer verblijf van Amerikaanse troepen in Irak wil legitimeren.
Jammer dat Bush niet zoals Clinton wat meer progressieve jaren-zestig literatuur heeft gelezen want dan zou hij weten dat een democratie pas echt een democratie is wanneer ook sociale rechten worden verwezenlijkt.
Het lijstje boeken van Bush geeft het scherpe beeld van een conservatieve familieman. Vrouw Laura, ooit bibliothecaresse, past bij hem. Zij leest vooral ‘ongevaarlijke’ kinderboeken en romans. Een van haar lievelingsboeken is geschreven door Laura Ingalls Wilder: ‘Het kleine huisje op de prairie’. ‘Het kleine meisje heette Laura en ze had bruin haar. Ik kon me helemaal met haar identificeren.
Zo zeggen boeken eigenlijk alles over mensen. Veel meer dan studio’s, chatrooms en babbelboxen zijn bibliotheken nog steeds de tempels van onze beschaving.
DE ACTUELE BOODSCHAP VAN FILMMAKER GEORGE CLOONEY
Wat gaat er verkeerd met ons? Het zit in de lucht die we ademen. De dingen die we doen. De dingen die we zeggen. De boeken. Onze kranten. Ons theater. Onze bioscopen. Onze radio en televisie. De manier waarop we ons gedragen. De interesses die we hebben. De waarden die we vaststellen. Wij hebben alles. We hebben een overvloed aan alles wat het leven aangenaam maakt. Wij zijn gemiddeld rijker en toch is er iets dat ons ontbreekt, iets dat we ooit gehad hebben. Zijn wij zelf onze ergste vijanden? Moeten we meer vrezen wat er in ons midden gebeurt dan wat er elders aan de hand is? Niemand schijnt te weten wat we moeten doen. Maar iedereen vraagt het zich af.’
Deze wanhopige passage uit 1952 is van een journalist uit Cleveland, Ohio. Een tijd dat de Amerikaanse maatschappij in grote crisis verkeerde. In drie jaar tijd had de goddeloze Sovjet-Unie een atoombom ontwikkeld, was China communistisch geworden en was er in Korea een oorlog uitgebroken waar vooral Amerikaanse jongens en meisjes het communisme terug moesten dringen. De ‘American way of life’ stond op het spel, zo dachten velen. Hoe was het mogelijk dat in zo’n korte tijd het communisme zo snel kon oprukken? Ook Oost-Europa was al onder het communisme gekomen. Hoe kon de supermacht Amerika dit allemaal laten gebeuren?
De van nature vanwege hun rotsvaste geloof in de ‘American Dream’ zo zelfverzekerde Amerikanen waren met stomheid geslagen en hunkerden collectief naar een verklaring voor al het onheil. De Republikeinse senator Joseph (Joe) McCarthy was van harte bereid die te geven, zo zien we aan de hand van echte beelden in ‘Good Night, and Good Luck’. Een meesterzet van regisseur George Clooney want niemand kon McCarthy beter spelen dan McCarthy zelf.
Op een vliegveld in het Amerikaanse Midden-Westen sprak McCarthy de legendarische woorden: ‘Ik heb hier in mijn hand een lijst van 205 namen van mensen die bekend zijn op het ministerie van Buitenlands Zaken en die desondanks nog steeds werken voor onze regering.’ McCarthy beschuldigde hen van communistische sympathieën en spionage voor de Russen. Toen hij vertrok stond er slechts één journalist op het vliegveld, bij aankomst verzamelden zich tientallen journalisten.
‘Fighting Joe’ had een snaar geraakt. Zo’n vier jaar lang zou McCarthy de publieke opinie beheersen. Nooit onthulde hij alle namen, maar altijd had hij een aktetas met ‘geheime’ papieren bij zich. Iemand die een weinig kritische opmerking over de Sovjet-Unie had gemaakt moest al voor zijn Senaatscommissie verschijnen, werd de huid vol gescholden en kon een verdere carrière wel vergeten.
Geen politicus, zelfs president Eisenhower niet, durfde McCarthy aan te vallen. Van McCarthy is bekend dat hij een journalist die iets kritisch over zijn financiën had gezegd, bijna wurgde in een tweegevecht. Toen bij propagandazender the Voice of America sommige redactieleden een wat meer objectieve koers wilden varen wist McCarthy via spectaculaire hoorzittingen een ware zuivering door te voeren. Er werden zelfs boeken verbrand van progressieve auteurs.
Geen krant durfde McCarthy aan te pakken. Een buitenlandse krant als Het Parool schreef wel over de sfeer van vrees en intimidatie. ‘McCarthy is een meester in de schijnheiligheid. Maar een kritische blik doet erkennen dat zekere gebaren van hem gewild zijn, misschien zelfs bestudeerd. De ogen, die hij ten hemel opslaat als wilde hij daar inspiratie zoeken, de gewilde manier, waarop hij voorover buigt, wanneer hij een tegenstander ondervraagt, die goed gearticuleerde stem, soms zacht, om vervolgens in ware woede uit te barsten wanneer het woord communisme valt, dat alles wijst op een goed ingestudeerde en gerepeteerde rol.’ De Nederlandse journalist vergeleek hem met ‘een zekere Oostenrijkse schilder’.
Nu Amerika momenteel weer in de ban is van een onzichtbare vijand en er nieuwe zondebokken worden aangewezen, is een heksenjacht à la het McCarthyisme weer zeer actueel. Sinds ’11 september’ leven we in een schimmige wereld waar veiligheidsdiensten de dienst uitmaken en politici angst zaaien.
In het huidige Amerika zijn televisiejournalisten doorgaans regeringsgetrouwe schoothondjes met kleurige Amerikaanse vlagspeldjes op het revers. Alleen bij kranten als de New York Times en de Washington Post werken nog een paar verdwaalde, kritische onderzoeksjournalisten. Snelle en dus oppervlakkige entertainmenttelevisie leent zich niet meer voor kritische, echte televisie-journalistiek.
De grote verdienste van George Clooney is dat hij ons met ‘Good Night. And Good Luck’ terugbrengt naar een tijd waarin een televisiejournalist als Ed Murrow zich wel geroepen voelde z’n professionele verantwoordelijkheid te nemen door McCarthy keihard aan te pakken. Murrow trok zich uiteindelijk niets aan van de adverteerders die angstig waren voor de vele kijkers die pal achter McCarthy stonden. Murrow legde met groot gezag de leugens van McCarthy bloot en daarmee triomfeerde toen (nog) de televisiejournalistiek. In die jaren deden televisiejournalisten er nog toe. Mensen keken tegen hen op. Murrow was een instituut.
Nu vijftig jaar later is televisie in onze wereld qua bereik en zendtijd veel belangrijker geworden. Maar ook in ons land zijn veel televisie-journalisten letterlijk ‘talking heads’geworden die nauwelijks echt iets te vertellen hebben. Nieuws moet in hapklare brokken worden opgediend. Televisie-chips: hap, slik, weg. De volgende dag is iedereen al vergeten wat er is uitgezonden. Commentatoren zijn vooral establishment-commentatoren geworden. Wie echt kritisch is wordt vlotjes in een radicale hoek geplaatst of krijgt eenvoudig het woord niet meer. Het huidige televisiepubliek in Amerika en Nederland krijgt nauwelijks kritische reportages te zien over de leugens van politici als Cheney en Rumsfeld.
Clooney’s film is een wake-up call. Wat zitten we in deze tijd weer te springen om een Ed Murrow. ‘Good Night, and Good Luck’ moet in ieder geval verplichte kost zijn voor aankomende journalisten en kritische burgers. Meer nog dan andere goede films gun ik deze film volle zalen.