Internationale Spectator

Omslag Internationale Spectator, Jaargang 62 nr. 10 (oktober 2008)

www.internationalespectator.nl

 

 

 

 

De Bush-doctrine: meer continuïteit dan discontinuïteit

Aan de vooravond van 11 september 2001 stond de Verenigde Staten op het toppunt van zijn macht. Steeds vaker werd door commentatoren de vergelijking getrokken met een nieuw Romeins Rijk.  In recordtijd, in nauwelijks acht maanden, had het Amerika van de tweede president Bush zich uit allerlei internationale verdragen teruggetrokken, variërend van het anti-landmijnenverdrag tot en met internationale tabaksovereenkomsten. Wat opviel was dat Amerikaanse diplomaten weinig tekst en uitleg gaven waardoor in brede kring, ook onder bondgenoten, steeds vaker het verwijt werd geuit van de arrogantie van de macht.

Washington trok zich er niets van aan. De conservatieve Amerikaanse journaliste Peggy Noonan beschreef hoe president Bush de kritiek van de 15 Europese leiders bij zijn eerste bezoek aan het continent had ondergaan. ‘Ieder van hen bekritiseerde mij hevig. Ik heb keurig naar ze geluisterd. Op het eind nam ik het woord. Ik vatte even samen wat zij zeiden. Ik bedankte hen maar ik liet ze overduidelijk weten dat het Amerikaanse standpunt ten aanzien van Kyoto en andere hot issues geen millimeter veranderd was. Ronald Reagan zou trots op me geweest zijn.’ [1]

‘Standing tall’, dat was blijkbaar heel belangrijk voor Bush. Norman Ornstein, buitenlandexpert van het ‘American Enterprise Institute’ kon die houding, toen ik hem enkele dagen voor ‘nine eleven’ in de Amerikaanse hoofdstad ontmoette, wel verklaren. ‘De afgelopen vijfhonderd jaar is er nooit een situatie geweest zoals nu waarbij de leidende natie in de wereld zo’n militaire voorsprong heeft op de nummer twee, laat staan op de rest van de wereld. Bush speelt die machtspositie van de enige supermacht haarfijn uit. Europa heeft interne problemen, de Japanse economie verkeert in een rampzalige situatie en Rusland kan zich op geen enkel front met Amerika meten.’[2]  Op buitenlandpolitiek terrein had Washington een grote speelruimte om te doen wat het wilde.

De Verenigde Staten leken zich na de Koude Oorlog en het daarop volgende ‘tijdperk van de grote illusie’, waarin de Verenigde Naties onder de presidenten Bush I en Bill Clinton een belangrijker rol kreeg toebedeeld als ordenend instrument in de buitenlandse politiek, weer meer te richten op het eigen Noord-Amerikaanse continent. In vele krantencommentaren werd de tweede president Bush al geafficheerd als een ‘neo-isolationist’. Ornstein voegde er aan toe dat ‘de wereld moet begrijpen dat Bush is gekozen door het Amerika van het platteland. Daar wonen Amerikanen die in principe niet geïnteresseerd zijn in het buitenland. Bush heeft zijn agenda op hen gebaseerd. Niet op de mensen die aan de Oostkust of de Westkust wonen en een meer internationale blik hebben. Die mensen vinden het over het algemeen prima wat Bush doet. Gewoon keihard opkomen voor de Amerikaanse belangen en niet luisteren naar anderen.’

De Bush-administratie streefde zelfs naar immuniteit. Yvo Daalder, buitenlandexpert van het Brookings Instituut, typeerde de buitenlandse politiek van Bush als ‘louter een anti-rakettenschild-politiek’. Die vermeende immuniteit werd door Daalder als ‘onzin’ bestempeld. Want, zo voorzag hij begin september 2001, tegen terroristische aanvallen waarbij bijvoorbeeld gebruik gemaakt wordt van biologische en/of chemische wapens doet dit schild niets. ‘Maar deze regering wil nog denken vanuit de versleten zwart-wit concepten uit de Koude Oorlogen. Dat idee van de grote, boosaardige buitenwereld die je kunt afschrikken, temmen en zelfs uiteindelijk overwinnen, is inmiddels achterhaald. Het gaat in een ingewikkelde wereld meer om het samen met anderen beheersen van ontwikkelingen.’[3]

En toen kwamen de schokken van ‘11 september’ die scheuren in het machtige pantser van de Verenigde Staten creëerden. Vijf dagen erna schreef Andrew Sullivan in de Sunday Times: ‘Het isolationisme is dood’. Haar kwetsbaarheid zal Amerika beroven van iedere illusie ten aanzien van geografische immuniteit. ‘Wij zijn nu allemaal Israëli's’, schreef een andere commentator.  [4]

Het Amerikaanse buitenlandbeleid werd in hoog tempo binnenstebuiten gekeerd. Plotseling werden staten als Oezbekistan en Pakistan strategische bondgenoten. Bush had minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell er na 11 september direct op uit gestuurd om bondgenoten en, hoe opvallend, ook veel islamitische regimes te consulteren. In acht maanden tijd had Washington zich niet zoveel bemoeid met de buitenwereld als in die paar eerste weken na 11 september 2001. Er leek een nieuwe wereldorde te ontstaan van solidaire naties in de oorlog tegen het internationale terrorisme. De NAVO riep collectief het wederzijdse hulpartikel vijf in.

Maar de grenzen van die eventuele nieuwe wereldorde werden al vlot zichtbaar. Steeds duidelijker werd dat die oude wereld van voor ‘11 september’ in tal van opzichten bleef voortbestaan. De Nederlandse politieke ontwikkelingen zijn hierbij illustratief. Op 1 december opende de Volkskrant met het bericht dat in november binnen de Nederlandse regering ‘paniek’ was ontstaan omdat de Verenigde Staten vroegen om F-16 gevechtsvliegtuigen. Volgens een niet bij name genoemde diplomaat ontstond in Den Haag ‘grote heisa’. Het kabinet wilde ‘absoluut niet’ betrokken raken bij gevechtshandelingen, al had onze minister-president Kok net na 11 september overduidelijk gezegd dat ‘11 september’ ook een aanval op ons Nederlanders was. Het kabinet besloot tot het aanbieden van vliegtuigen met louter een humanitaire taak, waarmee dan werd bedoeld het fotograferen van vluchtelingenstromen. Toen de luchtcampagne in Afghanistan begon, werd de Verenigde Staten alleen door de Britten bijgestaan.

Vanzelfsprekend zocht de Bush-administratie ter ontlasting van de eigen strijdkrachten een zo groot mogelijke coalitie maar dan zonder beperking van de eigen manoeuvreerruimte. Washington wenste ‘multi-lateralisme à la carte, zoals Richard Haass, directeur van de ‘Policy Planning Staff’ van het Ministerie van Buitenlandse Zaken het noemde. De Amerikaanse regering vroeg verschillende landen om specifieke vormen van assistentie maar weigerde een diepgaande consultatie aan te gaan wat immers de ware lakmoesproef van multilateralisme is.’[5]

Het eigenmachtig optreden van Washington (‘Je bent voor ons of tegen ons’) vertoonde een sterke gelijkenis met de unilaterale buitenlandpolitiek van voor 11 september. De in oktober 2002 ontvouwde Nationale Veiligheids Strategie werd weliswaar door vele commentatoren gezien als het anker van de nieuwe Bush-revolutie, in essentie was het vooral een unilateraal stuk wat voortbouwde op een eerder ingezette beleidslijn. Nieuw is de typering van terroristische, stateloze actoren maar die wereld bestond in essentie al voor 2001. Het recht op een preventieve oorlog heeft Washington zich altijd al voorbehouden.

Nieuw zou ook de ronkende retoriek over vrijheid, mensenrechten en de verspreiding van de democratie in de wereld zijn maar deze mooie zinnen moeten vooral gezien worden als een afleiding van het falen bij het zoeken naar massavernietigingswapens in een land als Irak. Iedere patriottische Amerikaan en dus de ook de president zal zich, zeker in tijden van crisis, hullen in deze vrijheidsmantel. Zo wemelt het van de vrijheidstoespraken in de Amerikaanse geschiedenis. President Theodore Roosevelt typeerde Amerika als ‘uitverkoren om de vrijheid te verspreiden.’ In zijn ‘Vier Vrijheden’- speech sprak president Franklin Roosevelt over de betekenis van vrijheid in de zin van suprematie van mensenrechten overal ter wereld. ‘Onze steun gaat naar hen die strijden om die rechten te verkrijgen en te behouden.’ De enige optie was voor Roosevelt ‘de overwinning’.

Natuurlijk hebben de neoconservatieven in de eerste termijn van Bush achter de schermen invloed uitgeoefend. De Democratische senator Joseph Biden constateerde in juli 2003 zelfs: ‘De neocons lijken bezit te hebben genomen van het hart en de geest van de president en ze bepalen de agenda voor het buitenlandse beleid.’[6]

De neoconservatieven waren sterk vertegenwoordigd in de conservatieve media, zoals in de ‘Weekly Standard’, maar veel minder op de sleutelposities in de administratie. Bush, Cheney en Rumsfeld zijn veeleer keiharde, traditionele conservatieven die militaire macht willen inzetten wanneer de veiligheid en/of het economisch belang van de Verenigde Staten wordt bedreigd, terwijl deze ‘realistische’ conservatieven veel voorzichtiger zijn bij het inzetten van militaire macht om democratieën over de wereld te steunen of zelfs te vestigen. Ter legitimatie van de Irak-oorlog sprak Bush dan ook uitdrukkelijk over de aanwezigheid van massavernietigingswapens en de link tussen president Saddam Hoessein en de 11 september-terroristen en veel minder over de verspreiding van de democratie. Wat deze twee groepen conservatieven gemeen hebben is dat zij zeer kritisch staan tegenover het internationaal recht, in de traditie van president Woodrow Wilson, en ook tegenover het geloof in de relevantie van internationale organisaties. In de kern van de zaak vertrouwen zij meer op bommen en granaten dan op diplomatie en verdragen. Daalder en zijn collega James Linday spreken in dit verband van ‘een verstandshuwelijk’ tussen de twee groepen. [7]

Voor het grote Amerikaans publiek was ‘11 september’ een ‘neo-conservatief’ keerpunt omdat voor het eerst in eeuwen het veilig gewaande fort tussen de wereldzeeën op de eigen binnenplaats was aangevallen. ‘11 september’ werd gepresenteerd als een ‘nieuw Pearl Harbour’ wat op zichzelf al een contradictie bevat. De vernietigende actie van de Japanse piloten was in essentie niet veel anders dan die van de ’11 september-piloten’. En hetzelfde geldt voor de reactie van de beide presidenten ter zelfverdediging en legitimatie van een nieuwe oorlog.

Als traditionele conservatief vertoont Bush de reflexen van presidenten en andere politici voor 11 september 2001. De leider van de machtigste democratie op aarde wil tegelijkertijd hoeder van de vrijheid en de veiligheid zijn. Iedere Amerikaanse president sinds het isolationistische interbellum van de vorige eeuw streeft daar op enigerlei wijze naar. Het is een vrijwel onmogelijke opgave. Ook in die zin is dus geen sprake van een echte breuklijn tussen president Bush en eerdere presidenten.

In de tweede ambtstermijn van Bush wordt meer accent gelegd op samenwerking met bondgenoten, zoals blijkt in de kwesties Libanon, Noord-Korea en Iran. Washington heeft zelfs een VN-resolutie gesteund om de van oorlogsmisdaden beschuldigde ex-Liberiaanse leider Charles Taylor in het Internationaal Gerechtshof in Den Haag te laten berechten, ondanks de zware Amerikaanse kritiek op dit hof.

Deze meer multilaterale buitenlandse politiek zal echter omslaan in een unilateraal optreden wanneer bijvoorbeeld een grootschalige terroristische aanval op de Verenigde Staten de veiligheid van de natie fundamenteel aantast. Op zulke momenten vertoont de supermacht Amerika unilateraal gedrag. Zo is het altijd geweest, ook in de Koude Oorlog. De Cuba-crisis, ten tijde waarvan de wereld aan de rand van de afgrond stond, is daar een goed voorbeeld van. Reële of als zodanig gepercipieerde bedreigingen van de nationale veiligheid leiden tot een unilaterale reflex.

  


[1] Wall Street Journal, 25 juni 2001

[2] Keerpunt, Willem Post, pagina 55, 56

[3] Keerpunt, Wilem Post, pagina 57

[4] Sunday Times Londen, 16 september 2001

[5] The End of the American Era, Charles A. Kupchan, pagina 220

[6] ‘The National Dialogue on Iraq + One year, Brookings Institution, Washington DC, 31 juli 2003

[7] Amerika Ontketend, Ivo Daalder & James Lindsay, pagina 26

 

Terug

 

Geen duif, geen havik: Barack Obama's assertieve multilateralisme

Willem Post analyses senator Barack Obama's foreign policy views. Obama is neither dove nor hawk. He promises to close Guantánamo Bay and to end 'torture light'. But for progressives or liberals it is a mistake to consider him to be most and for all as a Wilsonian internationalist. Obama's foreign policy can better be characterized as 'muscular multilateralism'. Obama wants to increase the Pentagon's budget in order to transform the army in a '21st century-military to stay on the offensive, from Djibouti to Kandahar'. Because of his inexperience the views of his top advisers are even more important. Obama is profiling himself as a bridge-builder in a more dangerous world because of international terrorism, nuclear proliferation and environmental problems. Advisers such as Ivo Daalder and Anthony Lake promote a more assertive American foreign policy with respect for international law. Daalder's proposal for a 'Concert of Democracies' to act where the UN Security Council is constantly failing, is preferable to the 'League of Democracies'-model of senator McCain. The 'Concert' will work within the UN aiming to solve a broad range of problems. But democracies have different security and economic interests and are themselves divided. In this insecure transition period with rising great powers along the superpower America an important role for a more global NATO should be preferred.

 

Terug