2006

2009 2008 200720052004 200320022001200019991998199719961995199419931992

 

 

In de ban van 'Obamania' Barack Obama,The Audacity of Hope  Ondertitel: ‘Thoughts on Reclaiming The American Dream’  

14-12-2006

Na Saddam Mijn leven als bewindvoerder van Irak - Paul Bremer III 26-01-2006
‘Big brother in America" Staat van Oorlog. De geheime geschiedenis van de CIA en de regering-Bush  

11-01-2006

 

In de ban van ‘Obamania’

 Wordt Barack Obama de nieuwe president van de Verenigde Staten? Steeds meer invloedrijke Amerikanen als Ophra Winfrey, Steven Spielberg en Jesse Jackson steunen hem. In opiniepeilingen is hij in korte tijd opgeklommen naar de tweede plaats achter Hillary Clinton die veel meer naamsbekendheid heeft.

Nog wel, maar dat zal spoedig veranderen. Het nieuwe boek van de senator uit Illinois staat nu al op nummer 2 in de ‘New York Times’ bestsellerslijst.

Natuurlijk, in een tijd van oorlog en voortdurende terrorismedreiging lijken op het eerste gezicht de ‘Guliani’s’ en de ‘McCains’ met hun ruime veiligheidservaring meer kans te hebben op het presidentschap. Zij zijn oude rotten in het vak, hij nog een ‘broekie’ van 45.

Maar Obama is ouder dan John F. Kennedy toen hij als 43-jarige het Witte Huis betrad. In de afgelopen vier jaar heeft Obama ervaring opgedaan in allerlei Senaatscommissies die zich met terrorisme bezig hielden. En Obama kan er prat op gaan dat hij als een van de weinige politici voorzag wat er allemaal fout zou gaan in Irak.

   ‘In de herfst van 2002’, zo schrijft hij, ‘sprak ik in Chicago zo’n 2000 mensen toe. Ik wilde ze laten weten dat als het gaat om het vermoorden van onze onschuldige burgers op ‘nine eleven’ ik persoonlijk de wapens zou willen opnemen om hen te beschermen… Maar wat ik niet kon steunen was een domme oorlog, een overhaaste oorlog, een oorlog niet gebaseerd op rede maar op passie, niet op principe maar op politiek. “Ik denk dat een invasie van Irak zonder een duidelijke rechtvaardiging en zonder internationale steun alleen maar de vlammen in het Midden Oosten zal aanwakkeren. Het zal het slechtste, in plaats van het beste, naar boven roepen. Er zullen alleen maar meer Al Qaeda-terroristen worden gerekruteerd. “’

Het zijn deze wijze zinnen die ‘The Audacity of Hope’ tot een fascinerend, transparant boek maken. Eindelijk ook eens een politicus die geen ‘ghostwriter’ nodig heeft. Een politicus die zichzelf is, worstelt met de problemen van deze tijd en die ook richting biedt.

Obama bivakkeert, net als Bill Clinton met zijn Derde Weg, in het centrum van de politiek. Maar hij lijkt minder opportunistisch, meer principieel. In 2004 mocht Obama een speech houden tijdens de Democratische Conventie. Zijn verhaal sloeg in als een bom. Obama beschreef de polarisatie, de haat zelfs in Amerika. Hoe Amerika definitief uiteen leek te vallen in Democratische blauwe staten en Republikeinse rode. ‘Ik kom uit een blauwe staat maar ik wil u laten weten dat wij dezelfde God vereren en dezelfde idealen hebben.’

Obama schrijft ‘over de grootsheid van onze uitdagingen en de kleinheid van onze politiek. Ons chronisch falen om echte beslissingen te nemen, onze voortdurende onkunde om een werkbare consensus te creëren’.

Obama beschouwt zichzelf als een kind van de jaren zestig. Als opbouwwerker heeft hij in de sloppenwijken van Chicago gewerkt. Als ‘ex-rebel’ constateert hij dat de woede van de ‘countercultuur’ vooral is uitgemond in consumentisme, life-style keuzes en muziekvoorkeuren en veel minder in politieke verplichtingen. Maar problemen met betrekking tot ras, oorlog en armoede zijn onopgelost, zo concludeert hij teleurgesteld.

Hoewel hij zich niet kon vinden in veel conservatieve opvattingen van Ronald Reagan ‘begreep’ hij hem, in tegenstelling tot zijn vrienden, wel. Obama’s eigen Democraten waren verward. Reagan koos partij voor de hard werkende Amerikanen die de wet gehoorzamen, die zorgen voor hun families, die van hun land houden.

Ook op buitenlands gebied verdedigt Obama Reagan in sommige opzichten. ‘Ik begreep nooit waarom mijn progressieve vrienden minder geschokt waren door onderdrukking achter het ijzeren gordijn dan in Chili.’ Obama plaatste destijds wel vraagtekens bij de enorme militaire opbouw onder Reagan maar gegeven de Sovjetinvasie in Afghanistan was voorblijven op de Russen een verstandige keuze. ‘Toen de Berlijnse Muur viel moest ik de oude man gelijk geven.’

Obama lijkt de ideale politicus om bruggen te bouwen tussen het Reagan-Bush Amerika en het Gore-Kerry Amerika. Niet rood of blauw maar ‘red, white and blue’. Obama is Amerika. Hij vertegenwoordigt in zich het blanke en multiculturele Amerika. Zijn vader was van Keniaanse afkomst, zijn ‘melkwitte’ moeder is geboren in Kansas City. Bij Obama vallen oude stereotiepen weg. Ook voor veel blanken is hij de ideale schoonzoon. Hij is dol op zijn echtgenote Michelle en dochters Malia (8) en Sasha (5). Hij durft dat familieleven ook breeduit te etaleren en dat is belangrijk in de Amerikaanse televisiedemocratie.

Een normaal leven kan hij deze dagen niet meer leiden. Waar hij komt, stromen mensen op hem af. Een nieuwe superster.

Amerikanen zijn dol op zulke plotselinge, nieuwe verschijningen, ook in politiek opzicht. John Kennedy en Jimmy Carter waren landelijk gezien onbekende politici toen zij doorbraken. Kennedy was een weinig opvallende senator die president werd in een cruciale periode van de Koude Oorlog.

Van senator John Kerry kan Obama leren dat je niet te lang in de Senaat moet zitten omdat politieke tegenstanders in jarenlang stemgedrag een eventueel ‘linksig’ patroon kunnen ontdekken. Dat was dodelijk voor de kansen van Kerry op het presidentschap.

Obama is voor veel Amerikanen een nog onbeschreven blad. Hillary kennen ze door en door. Zij heeft veel bewonderaars, maar ook veel vijanden. Obama´s boek heeft hem alleen maar meer bewonderaars opgeleverd. Een dezer weken beslist Obama of hij mee gaat doen met de presidentsverkiezingen. Hij overlegt nog met Michelle, zeggen zijn medewerkers. Dat zou wat zijn: Obama, Michelle, Malia en Sasha in het Witte Huis. Dat doet denken aan het jonge Kennedy-gezin en het nieuwe élan wat zij brachten in Washington en ver daarbuiten.

Amerika maakt op de rand van 2006 een vermoeide indruk. Vernederd. Bespot. Verdeeld. Het land is toe aan een helingsproces. Van alle kandidaten voor 2008 die nu genoemd worden, lijkt Obama het beste de tijdgeest aan te voelen. Dit boek is daar het absolute bewijs van.

 

Terug

 

‘Big brother in America'

 

Staat van Oorlog

De geheime geschiedenis van de CIA en de regering-Bush

Uitgeverij Bert Bakker, 2006-01-09 240 blz., prijs 17.95 euro

 

De oorlog in Irak duurt veel langer dan verwacht. Het Amerikaanse leger heeft geen massavernietigingswapens gevonden. Bin Laden is ontsnapt aan Amerikaanse commando’s. Amerikaanse militairen hebben op grote schaal in gevangenissen gemarteld.

   Het is ongelooflijk dat de verantwoordelijke minister van Defensie, Donald Rumsfeld, nog minister is. Hoe kan dat? Wat zit daarachter?

   Wie ‘Staat van Oorlog’ leest, vindt een antwoord. Rumsfeld maakt samen met vice-president Dick Cheney deel uit van het ‘gouden duo’ dat in feite de Verenigde Staten de afgelopen jaren geregeerd heeft. President Bush had nauwelijks kennis van de buitenlandse politiek. Zijn grote vertrouweling Condoleezza Rice gaf hem privé-les over allerlei buitenlandthema’s maar zij had nauwelijks invloed. ‘Condi was een heel, heel zwakke nationale veiligheidsadviseur’, aldus een voormalig staflid van de Nationale Veiligheids Raad. De eigenlijke veiligheidsadviseur was Cheney. Vroeger een gematigd minister van Defensie maar na een carrière in de oliebusiness bekeerd tot keihard conservatief. In het begin van Cheney’s loopbaan was Rumsfeld zijn baas en mentor geweest. Rumsfeld had de meeste ervaring van alle hoofdrolspelers en beschikte ook over de sterkste persoonlijkheid.

   Als Rice tijdens een kabinetszitting iets voor elkaar had gekregen, belegde Rumsfeld gewoon een nieuwe vergadering met andere deelnemers en nam een tegenovergesteld besluit. In dit boek stelt Risen dat voor het eerst in de Amerikaanse geschiedenis ‘het Pentagon de allesoverheersende spil van de Amerikaanse buitenlandse politiek was.’ Van de overloyale soldaat Colin Powell trok al helemaal niemand zich wat aan.

   Na ’11 september’ nam de macht van het duo Rumsfeld-Cheney duizelingwekkende vormen aan. De FBI had gefaald, stond in wezen buitenspel. De CIA moest na jaren van interne bureaucratische strubbelingen weer slagkracht krijgen. De flamboyante Griekse Amerikaan George Tenet was directeur. Bij hoge uitzondering mocht deze door Clinton benoemde functionaris blijven onder Bush maar dan moest hij wel goed luisteren naar Cheney en Rumsfeld. De twee oude rotten vonden het prima dat de welbespraakte Tenet zo fijn kon praten met de president over honkbal en basketball. Zij deden de echte zaken. Een groot gedeelte van het CIA-budget werd gefinancierd vanuit het Pentagon. Rumsfeld had Tenet aan een touwtje. Tenet moest zelfs toezien hoe hele passages uit de dagelijkse inlichtingenbriefing regelmatig waren uitgewist.

    In de nieuwe oorlog tegen het terrorisme creëerde de CIA een netwerk aan gevangenissen buiten de VS zodat de gevangen genomen buitenlandse strijders niet onder de bescherming van de Amerikaanse rechtspraak vielen. Dichtbij Amerika op Guantanamo Bay zaten de minst belangrijke gevangenen. Maar elders op geheime locaties zoals in Afghanistan, Egypte of Oost-Europa zaten de kopstukken. Met CIA-vliegtuigjes werden ze rondgevlogen. Hun behandeling kwam neer op ‘torture light’, want vele uren moesten ze in allerlei vreemde houdingen keiharde Eminem rapmuziek aanhoren, werden ze in namaakdoodskisten gelegd of anderszins getreiterd en mishandeld.

   Risen onthult dat er naast de ‘herboren’ CIA nog een andere inlichtingendienst op grote schaal actief werd. Hij doelt op de in 1952 opgerichte National Security Agency (NSA), de supergeheime afluisterdienst die uitsluitend met toestemming van een speciale rechtbank van het Ministerie van Justitie iemand mag volgen. De ‘Patriot Act’ heeft het NSA geen nieuwe bevoegdheden gegeven. Cheney en Rumsfeld zaten dat publieke Patriotdebat geduldig uit in de wetenschap dat Bush eerder op hun instigatie het NSA hoogstpersoonlijk een geheim bevel tot ook binnenlands afluisteren had gegeven.

   Deskundigen schatten dat jaarlijks ongeveer negen triljoen e-mails in de Verenigde Staten worden verzonden. Amerikanen bellen dagelijks zo’n één miljard keer met hun mobieltje. Ook buitenlands telefoonverkeer vindt vaak plaats via Amerikaanse telecommunicatieverbindingen op dus Amerikaans grondgebied. Het is bijna onmogelijk om erachter te komen waar het binnenlandse telefoonsysteem ophoudt en het internationale netwerk begint.

   Volgens Risen maakt het NSA op grote schaal misbruik van dit oerwoud aan gegevens. Hoge ambtenaren hebben Risen verteld dat met grote regelmaat wordt afgetapt binnen Amerika en dat in wezen iedere burger verdacht is.

   Als het waar is wat Risen schrijft leven we dus sinds ‘11 september’ in een schimmige wereld waar veiligheidsdiensten het alledaagse leven steeds meer beheersen. De scheidslijn tussen de publieke zaak en het privé-leven lijkt definitief doorbroken.

   In deze Orwelliaanse wereld zullen als vanzelf ook journalisten zich steeds meer baseren op anonieme bronnen. In een voorwoord schrijft Risen over de kritiek die hij krijgt over het veelvuldig gebruik daarvan. ‘Dit boek zou niet mogelijk zijn geweest zonder de medewerking van vele nog dienstdoende en voormalige ambtenaren van de regering-Bush, de inlichtingendiensten en andere onderdelen van het landsbestuur. Velen van hen waren bereid gevoelige zaken te bespreken, mits zij anoniem konden blijven.’

   ‘Staat van Oorlog’ is een belangwekkend, wat haastig vertaald boek. Belangwekkend vooral ook omdat het Witte Huis in gesprekken met de hoofdredactie van de New York Times geprobeerd heeft de publicatie van Risen’s onthullingen te voorkomen. Ze zouden de vijand teveel informatie geven.

   Eén onthulling kunnen we zelf controleren. De CIA wilde een Irakese inlichtingenfunctionaris die vanuit Nederland werkte proberen te rekruteren. Maar de Nederlanders waren zo gekant tegen de benadering van de regering Bush jegens Irak dat de Nederlandse inlichtingendienst weigerde mee te werken. In een weekend belde Cheney hoogstpersoonlijk de Nederlandse minister-president op maar ‘de minister-president wees Cheney terecht.’

   Als de Amerikaanse vice-president hoogstpersoonlijk ingrijpt in een vrij onbelangrijke spionagezaak bewijst dat eens te meer dat voor de regering-Bush inlichtingenwerk de allerhoogste prioriteit heeft.

Terug

 

Na Saddam

Mijn leven als bewindvoerder van Irak

Door Paul Bremer III

Uitgeverij Balans

ISBN: 9050187579

Prijs 19.50 euro

428 blz 

Paul Bremer’s oergeloof in Irakese democratie

 Paul ‘Jerry’ Bremer was de ‘onderkoning’ in het naoorlogse Irak. Hij belandde in een niemandsland. Bagdad stond in brand. Er waren geen politieke partijen, geen bevolkingsgegevens, geen kieswet. De middenklasse was door economisch wanbeleid vernietigd.

   Bremer was met zijn 62 jaar een gelouterd man. Hij was stafchef van Henry Kissinger, oud-ambassadeur in o.a. Nederland en expert op het gebied van terrorismebestrijding. En de enige serieuze voorspeller van een 11-septemberachtige aanslag.

   In een helder en gedetailleerd verslag van veertien maanden blijkt dat zelfs de zo ervaren Bremer niet goed wist waar hij aan begon. Van het ene op het andere moment werd hij de baas van 25 miljoen Irakezen.

   Bremer schrijft al in het begin van zijn boek over de ‘roekeloze fantasie’ van Amerikanen die dachten dat na een snelle militaire campagne, een ‘cakewalk’, ook de wederopbouw wel gauw zou plaats vinden. Herhaaldelijk hebben generaals en politici als Donald Rumsfeld en Paul Wolfowitz verzoeken van Bremer geweigerd om meer troepen te sturen naar Irak. Zelfs na zes maanden van bezetting was er nog geen ‘totaalstrategie’ om de vijand te verslaan. Ook dachten ze wel even vlot een nieuwe Irakese veiligheidsmacht uit de grond te stampen. De ‘big picture’ was er niet, vooral omdat de CIA in Irak geobsedeerd was door  ‘vruchteloze’ pogingen om massavernietigingswapens op te sporen.

   Maar met het gedachtegoed van Bremer’s vriend president Bush is niets mis. Dat blijkt uit de soms zelfs romanachtige gesprekspassages. Bij zijn eerste ontmoeting vertrouwde Bremer hem toe: ‘Meneer de president, mijn vrouw wil dat u weet dat haar favoriete passage uit uw toespraak is: ‘Vrijheid is niet het geschenk van Amerika aan de wereld. Het is Gods geschenk aan de mensheid.’

   Het is soms ontroerend om te zien hoe Bremer in de kracht van de democratie blijft geloven terwijl iedere dag de tekenen van een mislukt avontuur voor het oprapen liggen en de wetteloosheid toenam door wat Bremer terecht een bende terroristen noemt. Ook Bremer’s leven liep gevaar. Hij kon alleen nog maar reizen wanneer tientallen veiligheidsauto’s om hem heen reden en helikopters laag boven zijn auto vlogen. Bij de kapper werd een moordaanslag op hem gepleegd.

   Bremer bleef vastberaden volhouden. Soms wanhopig. ‘Maandenlang had ik tot hees wordend toe herhaald dat we geen al te hoge verwachtingen moesten koesteren van de Irakese veiligheidstroepen.’ En aan zijn vrouw schreef hij: ‘Veel coalitie-eenheden hebben dermate restrictieve geweldsinstructies dat ze nutteloos waren. Ze mogen niet vechten, maar we moeten ze desondanks logistieke hulp verschaffen.’ Het maakte de taak van de Amerikanen alleen nog maar moeilijker.

    Bremer schrijft over mensenrechtenschendingen in het ‘Oude Irak’ van Saddam. Over vrouwen die verwoed in het zand groeven om de resten van hun gedode zonen terug te vinden. ‘De slagers van Saddam hadden tientallen schedels opengehakt om te kijken wat de uitwerking was van de op de slachtoffers uitgeprobeerde chemicaliën.

    Temidden van alle problemen wist Bremer met zijn staf toch een overgangsregering op te richten en een grondwet te maken. Bremer is trots op de nieuwe ‘sociale schokdempers’ in Irak: tientallen mensenrechtencentra, non-gouvermentele organisaties, juridische genootschappen en zelfs ouderverenigingen en speciale vrouwencentra.

    De grootste fout die Bremer zelf heeft gemaakt is de radicaal doorgevoerde debaatificatie. Irak kon in dit opzicht leren van het na de Tweede Wereldoorlog door de Amerikanen bezette Japan. Na een eerste ‘democratische’ periode waar alle elementen die herinnerden aan het fascisme moesten worden ontmanteld, koos de Japanse ‘onderkoning’ generaal Douglas MacArthur uiteindelijk voor stabiliteit. Door in Irak duizenden Baath-officials te ontslaan ontstond een multipliereffect: voor één ontslagen functionaris stonden gemiddeld tien familieleden die voorheen door hem werden onderhouden. Een golf van armoede en dus onrust overspoelde het toch al chaotische land.

   Bremer geeft vooral de schuld aan de corrupte Amerikaanse Irakees Ahmad Chalabi die in het Irakese  machtsvacuüm sprong. Bremer had Washington nog zo gewaarschuwd, al is hij natuurlijk als hoogste bestuurder in Irak ook medeverantwoordelijk.

   In dit boek blijft Bremer de man zoals we hem in Nederland hebben leren kennen: een bevlogen optimist en vlot spreker én schrijver. Een intelligente vent met een sympathieke Kennedy-kop. Hij zal de geschiedenisboekjes ingaan als de man die na de arrestatie van Saddam tegen de verzamelde wereldpers uitriep: ‘We got him’ (vondst van zijn speechschrijver).

    Hij zal de geschiedenis ook ingaan als een toegewijd bestuurder maar toch niet als een groot politicus. Die kans kreeg hij niet. Dat komt, zo bewijst Bremer in dit boek nog eens, vooral door de incompetentie van zijn politieke leiders in Washington. Als zij niet fout op fout gestapeld hadden, was Irak na veertien maanden meer gestabiliseerd. In Washington lag uiteraard de eindverantwoordelijkheid.

   Hoe instabiel en gevaarlijk Irak nog was bij Bremer’s vertrek bewijzen wel de extreme veiligheidsmaatregelen. Temidden van een enorme veiligheidsmacht op het vliegveld van Bagdad verdween Bremer snel in een gereedstaand Herculestoestel. De pers moest terug naar de wachtruimte. ‘We bleven na het vertrek van de pers een kwartier wachten in het snikhete vliegtuig. Vervolgens kropen we door de volledig volgestouwde vrachtruimte van het toestel, renden de achterklep af en stormden over de snikhete teermacadam naar een wachtende Chinook vijftig meter verderop… De Chinook steeg meteen op en vloog naar een ander gedeelte van het vliegveld waar we vijf minuten later uitstapten en onmiddellijk aan boord gingen van een klein burgervliegtuig van de CIA.’ Toen Bremer wat later in Jordanië landde, belde hij zijn echtgenote: ‘Ik ben veilig en vrij. En ik kom naar huis.’

Barack Obama,

The Audacity of Hope

Ondertitel: ‘Thoughts on Reclaiming The American Dream’

Crown Publishers

New York 2006

Hardcover, 375 pagina’s

Terug