2004
2009 • 2008 • 2007 • 2006 • 2005 • 2003 • 2002 • 2001 • 2000 • 1999 • 1998 • 1997 • 1996 • 1995 • 1994 • 1993 • 1992 •
| Jan Donkers, ‘De tweede Amerikaanse eeuw’ | Jan Donkers, ‘De tweede Amerikaanse eeuw' | 25-10-2004 |
| Bush en het beeld van een krachtige leider | 28-08-2004 | |
| Come back kid | My life (Bill Clinton-memoires) | 24-06-2004 |
| Bush en Bush, in politiek | P Schweizer en R Schweizer The Bushes. Portrait of a Dynasty | 10-06-2004 |
| President Bush of president Cheney? | Bob Woodward - Plan of Attack | 01-05-2004 |
| Het grote isolement van George W. Bush | Ron Suskind - The price o loyality | 29-01-2004 |
Jan Donkers, ‘De tweede Amerikaanse eeuw’
Jan Donkers observeert Amerika. Dertig jaar geleden schreef hij vol hoop zijn eerste reportages. Natuurlijk, Uncle Sam had toen ook zijn schaduwzijden, maar onmiskenbaar was er vooruitgang. Gesymboliseerd in presidenten als Franklin Roosevelt en John Kennedy. Dat was volgens Donkers een Amerika dat vrienden nodig had in de wereld en ze ook nog op een andere wijze dan met de geldbuidel wilde verwerven.
Donkers memoreert hoe na ‘elf september’ Amerikanen ook anderen nodig had om troost te vinden. ‘De drie minuten stilte in alle werelddelen, Yasser Arafat die bloed gaf.’
Donkers bezoekt ook zelf de getroffen stad. Hij ziet de wond in de ziel van Amerika. Duizenden vlaggen. Vlakbij het voormalige WTC ontdekt hij een van het ene op het andere moment verlaten restaurant, het bestek nog op tafel, een hangslot aan de deur.
‘Nine-eleven’ als gestold moment in de geschiedenis. Een explosie ook van solidariteit. Een New Yorkse vertelt hoe ze die eerste weken met z’n allen op plekken in de stad kaarsen brandden en gedichten voordroegen. ‘The craziest loonies came out, het was bijna een sixtiesgevoel...’ Donkers hoorde iemand REM neuriën: ‘It’s the end of the world as we know it’ en noteert: ‘Hij had gelijk, maar op een andere manier dan we op dat moment dachten.’
Donkers reist door naar Austin, Texas, waar hij tijdelijk een gastdocentschap aanvaardt op de plaatselijke universiteit, zoals hij dat zestien jaar eerder ook al deed. Hij geeft colleges over media en literatuur. Hij woont in hetzelfde huis, dezelfde mensen wonen nog in de straat, maar... het oude, vertrouwde Amerika bestaat niet meer.
In de stad, waar Bush gouverneur was, overvalt Donkers een onbehaaglijk gevoel. ‘De onafwendbaarheid van een overbodige oorlog deprimeert me, evenals de vreselijke arrogantie waarmee het huidige Amerika zich op het wereldtoneel manifesteert, en de aanblik van George W. Bush op tv maakt me bijna fysiek misselijk.’
Waar zijn de tegengeluiden, zoals destijds tijdens de Vietnamoorlog? Ergens op pagina negentien van de New York Times kun je een kritisch anti-oorlogsartikel lezen, maar dat is het dan ook wel zo’n beetje. Donkers is verbijsterd dat, ondanks alle bewijzen die het tegendeel aantonen, nog steeds een meerderheid gelooft dat Saddam Hoessein achter de aanslagen zit. John le Carré noemde de transformatie van Osama bin Laden tot Saddam Hoessein als de grote terrorismeboeman ‘een van de grootste pr-trucs in de geschiedenis’.
Steeds luider klinkt het patriottisch tromgeroffel. In de aanloop naar de oorlog wordt vooral criticaster Frankrijk beschouwd als de grote boosdoener.
Donkers schrijft over de Fransjoodse winkelier ‘monsieur Dreyfus’, die steeds vaker wordt gepest. ‘Ik hield van Amerika juist omdát de Dreyfussen van de hele wereld hier altijd welkom waren en bijdroegen aan die vitale Amerikaanse cultuur waar ik zo dol op ben. Ik heb me altijd verzet tegen het beeld van Amerika als een groot gekkenhuis, omdat er weliswaar zoveel gekte waarneembaar was dat alle zintuigen het bijkans begaven, maar waarbij het beeld van Amerika als een inspirerend en vooral goed land, zoals mijn generatie dat met de paplepel is ingegoten, het dominante bleef. De laatste tijd is het erg moeilijk dat vol te blijven houden.
De anti-Franse pesterijen nemen krankzinnige vormen aan. Restaurants strepen ‘french fries’ door op menukaarten. Overal acties waar Franse wijn in sloten wordt weggespoeld. In Las Vegas huurt een radiostation een gevechtswagen om een Frans ‘prepakket’, bestaande uit foto’s van Chirac, Franse vlaggen, stokbroden, Franse reisgidsen en flessen wijn, te verpletteren. De symboliek die hiervan uitging, en de mentaliteit die hierachter zat, deed denken aan de ‘boekverbrandingen van de nazi’s’.
Toen zijn studenten ook maar de geringste toespeling maakten op de Franse lafheid, ontplofte Donkers bijna. ‘Weten jullie wel dat er in elk Frans gehucht, in elk Frans dorp, in elk departement een monument staat met de namen van jongens van jullie leeftijd die gesneuveld zijn, morts pour La France? Dat Frankrijk een miljoen slachtoffers telde in de Tweede Wereldoorlog?... Weten jullie wel dat Frankrijk, en veel andere landen in Europa, veel beter uit eigen ervaring kunnen meepraten over wat het is om oorlog te voeren op je eigen grondgebied, bezet te zijn, onderdrukt? Wat weten jullie Amerikanen daar nu van af, met jullie precisiebombardementen van kilometers veilige hoogte.’
En dat was nog maar het begin van Donkers woede-uitbarsting. In dit boek wordt Donkers steeds kwader. Op kritiekloze journalisten, op de lafaard Colin Powell, op de arrogante Donald Rumsfeld die op de vraag waarom Amerikanen geen bescherming boden toen het Historisch Museum in Bagdad werd leeggeplunderd als commentaar had: ‘wisten wij veel dat ze al die oude vazen hadden.’
En natuurlijk op George W. Bush. Die andere Texaan, Lyndon Johnson, kwam op voor de zwakkeren. Hij was een kind van de depressie, die uiteindelijk president werd met een echte ranch in Texas waar hij tot zijn dood op werkte.
Bush is een ‘papkind’ uit de conservatieve Texaanse geldadel. Hij kocht vlakbij Johnsons ranch in 1999 zijn eigen ranch maar hoofdzakelijk om redenen van image. Donkers merkt op dat zelfs zijn aanbidders hem een ‘windshield cowboy’ noemen. De hooibalen zijn slechts bedoeld voor een ‘photo opportunity’. Ze zijn nog nooit ververst. Over de Texaanse vrienden van Bush schrijft Donkers: ‘Als je ooit hebt gedineerd met de mensen van de Midland Petroleum Club in Midland, Texas, dan denk je: God wat een aardig stel mensen, thank God they are not running the world. Maar wat denk je? They are running te world!’
Donkers heeft een mooi, scherpzinnig boek geschreven over het huidige Amerika waar hij dus een haatliefde verhouding mee heeft. Die liefde komt vooral naar voren in de niet-politieke verhalen over literatuur en muziek die ook in dit boek zijn opgenomen. (Uitgeverij Atlas)
My life (Bill Clinton-memoires) Come Back Kid
Bill Clinton als kermisattractie. Spanning en sensatie. Als president deed hij me denken aan het karretje in de achtbaan dat zich met duizelingwekkende snelheid in afgronden stort, maar toch via allerlei vreemde bochten weer naar boven komt.
Clinton, de eeuwige Come Back Kid. Pieken en dalen. In die acht Witte Huis-jaren trok Clinton als een wervelstorm aan ons voorbij.
Even, een paar jaar, is het stil geweest rond de eerste baby-boom-president. Hij trok de wereld door om voor exclusieve gezelschappen achter gesloten deuren te spreken tegen een vergoeding die varieerde van 100.000 tot 500.000 dollar. Immers, de advocatenkantoren in New York, Washington en Little Rock, die jarenlang voor hem op volle toeren draaiden, stuurden stapels rekeningen.
Maar nu is de Come Back Kid weer terug op het schouwtoneel en toont hij zich als vanouds, zoals we hem ooit hebben leren kennen: intelligent, charmant, gevoelig, briljant, berekenend en ... ongedisciplineerd. Zijn ook in het Nederlands vertaalde boek telt maar liefst zo’n 1100 pagina's.
Een op het eerste gezicht onevenredig groot deel handelt over zijn problematische jeugd in Arkansas. Daar zal de Nederlandse lezer zich wel even door heen moeten worstelen. We maken kennis met een schier onuitputtelijke schare van neefjes, nichtjes, ooms en tantes en veel, heel veel vrienden.
Ze maken allemaal deel uit van het Clinton-verhaal. Want kleine Billy was een echt gezelschapskind. Clinton beschikt over een fotografisch geheugen en dat levert dan als vanzelf een vuistdik boek op. Clinton vertelt honderden anekdotes over zijn jeugd, zijn leven. Alleen zijn eigen geboorte kan hij zich niet herinneren, zo concludeer ik al gauw.
Billy was een bijzonder kind en kreeg ook geen doorsnee opvoeding. In het toen nog zo racistische zuiden was hij een van de weinige blanke kinderen die met zwarte kinderen mocht spelen. Bij zijn opa, die een kruidenierswinkel had, mochten ook de zwarte klanten door de voordeur naar binnen en wie in de winkel ooit het woord ‘nigger’ gebruikte kon rekenen op een flink pak slaag.
Na de dood van zijn opa werden oude rekeningenboeken teruggevonden. Daarin stonden veel openstaande rekeningen van merendeels zwarte klanten. ‘Opa had ooit gezegd dat goede, hardwerkende mensen het verdienden om hun gezinnen te kunnen voeden, en hoe berooid hij zelf ook was, altijd was hij bereid hun boodschappen op krediet te geven. Misschien is dat wel de reden waarom ik altijd voorstander ben geweest van voedselbonnen.’
Meer nog dan John F. Kennedy was Martin Luther King zijn grote voorbeeld. Tijdens de beroemde ‘I have a dream-toespraak’, zo schrijft Clinton, ‘welden tranen in mij op en nog een hele tijd nadat King klaar was met spreken, heb ik zitten huilen. Hij zei alles waar ik in geloofde, veel beter dan ik ooit zou kunnen. Meer dan alles wat ik in mijn leven heb meegemaakt, misschien met uitzondering van het krachtige voorbeeld van mijn grootvader, heeft die toespraak mijn vastbeslotenheid gestaald om de rest van mijn leven het uiterste te doen om de droom van Martin Luther King te verwezenlijken.’
Dat zijn wel hele moralistische, zware woorden voor een knaap van 17.
Clinton schrijft dat het sterven van zijn vader bij een auto-ongeluk, nog voor hij geboren werd, hem op jonge leeftijd bewust maakte van ‘de wetenschap dat ik ook jong zou kunnen sterven. Het inspireerde me om ieder moment van mijn leven zo intens mogelijk te benutten en af te stappen op de volgende grote uitdaging. Ook al wist ik niet altijd welke kant ik opging, ik had altijd haast.’
Vanaf de basisschool wilde Clinton al in de politiek. Hij droomde er van om ooit senator te worden, deed mee aan iedere scholierenverkiezing en won vrijwel altijd. Veel docenten vonden Billy hoogbegaafd. Voor alle vakken had hij het hoogste cijfer van de klas behalve voor gedrag omdat de gretige Bill de antwoorden door de klas heen schreeuwde voordat de juffrouw de vraag al precies had geformuleerd.
Vanwege zijn grote sociale vaardigheden was iedereen dol op hem. Zijn moeder adoreerde hem en hij haar. Zij was een knappe vrouw, een vrouw van de wereld die met iedereen kon praten.
Maar veel meer dan zijn goedlachse moeder had Billy een serieuze kant. Hij wilde altijd maar presteren. Was er maar wat trots op dat hij met een landelijke politieke jongerenorganisatie het Witte Huis mocht bezoeken en als een van de drie kinderen de hand van president Kennedy persoonlijk kon schudden.
In tegenstelling tot zijn grootouders en moeder was Billy ook regelmatig in de baptistische kerk te vinden. Het vrolijke kind kon ook zwaar op de hand zijn.
Al heel vroeg in zijn leven waren er van die merkwaardige tegenstellingen in zijn karakter, in zijn leven. Altijd was er die spanning tussen het licht en de duisternis oftewel ‘Bill de Zondaar’ tegenover ‘Bill de Weldoener’.
Clinton legt uit dat hij in zijn jeugd min of meer een dubbele persoonlijkheid ontwikkelde. Naast de warmte van zijn grootouders en moeder was er, nadat zijn moeder opnieuw trouwde, opeens ook alcoholisme in het gezin en later zelfs mishandeling, gokverslaving en drugsgebruik.
Tot zijn veertiende had Clinton het machteloze gevoel dat hij zijn moeder en broertje Roger niet kon beschermen tegen zijn gewelddadige stiefvader. Op een keer hadden zijn ouders weer eens ruzie. Clinton liep naar de slaapkamer. ‘Net op dat moment haalde Daddy een pistool van achter zijn rug tevoorschijn en vuurde een schot af in de richting van mijn moeder. De kogel verdween in de muur tussen haar en mij in. Ik was verbijsterd en verschrikkelijk bang. Moeder pakte me beet en rende de straat over naar de buren. Door de politie werd vader in handboeien afgevoerd. De kracht die hem tot zulke daden dreef, was giftiger dan alcohol. Het zou lang duren voordat ik de krachten in anderen of mijzelf kon begrijpen.’
Maar voor de buitenwereld was er nooit wat aan de hand. Bill stond alom bekend als een echte levensgenieter. De eeuwige prater Clinton kon ook zwijgen als het graf. Clinton beschrijft het als ‘parallele levens’.
Veel later, tijdens de Lewinsky-affaire, leidde Clinton ook twee levens en het viel op hoe hij op het absolute dieptepunt van zijn presidentschap zich volledig kon concentreren op zijn eigen juridische verdediging. Alweer, alsof er niets aan de hand was. Welhaast een schizofrene houding.
Clintons boek is dus in de eerste plaats interessant voer voor psychologen en daarom ook is het eerste deel over zijn jeugd het meest interessant. Steeds zijn er weer die contrasten: de jongeman uit een achterstandsgezin die droomde van een politieke carrière. Met zijn intelligentie, zijn eerzucht en grote sociale vaardigheden kon hij uiteindelijk een geweldige politieke loopbaan opbouwen. Hij werd de jongste gouverneur van het land en uiteindelijk ontpopte hij zich als de enige Democraat waar de Republikeinen in de modernste geschiedenis echt bang voor waren.
Hij versloeg als onbekende presidentskandidaat de zeer gerespecteerde zittende president Bush en vermorzelde in 1996 de ervaren Bob Dole nadat hij in de daaraan voorafgaande jaren nog was weggehoond vanwege zijn mislukte gezondheidshervormingen die het hoogtepunt van zijn presidentschap hadden moeten zijn.
Echte hoogtepunten in de vorm van grootse politieke prestaties waren er niet. Toen hij aantrad was het land niet in crisis en er waren ook geen grote oorlogen. Maar onder Clinton was er wel de langste economische groeiperiode uit de Amerikaanse geschiedenis, kwamen er 22 miljoen banen bij en werden crises in Bosnië, Haïti en Noord-Ierland opgelost.
In het politieke gedeelte beoordeelt Clinton zijn presidentschap vooral in termen van de invloed die hij op het leven van andere mensen heeft gehad. ‘Zo hield ik mijn score bij: miljoenen mensen met nieuwe banen, nieuwe huizen, schoolbeurzen, kinderen met een ziektekostenverzekering en naschoolse opvang, al die mensen hebben verhalen en dat zijn nu betere verhalen geworden. En we hebben meer hoop gebracht op vrede, vrijheid en welvaart in de wereld. Ook al die mensen hebben betere verhalen.’
In het boek zitten een paar onthullingen: Clinton heeft zijn opvolger Bush uitgebreid gewaarschuwd voor het gevaar van Bin Laden (en Bush luisterde nauwelijks), hij staat achter de Irak-oorlog maar vindt dat Bush de inspecteurs meer tijd had moeten geven.
En over Lewinsky? Clinton vindt dat hij geen excuses kan aanbieden omdat die er niet zijn. ‘De gelegenheid deed zich gewoon voor en dat is de grootste fout die ik ooit gemaakt heb.’ Clinton beschouwt zichzelf als een groot zondaar maar wijst ook op het rechtse complot van de Republikeinen die na de Koude Oorlog weer een nieuwe vijand zochten. In de speciale onderzoeker Kenneth Starr vonden zij hun grote voorman. Clinton walgde zo van hem dat hij urenlang niet verder kon schrijven over de man die hem probeerde te ruïneren door van het Lewinsky-avontuur ‘een goedkope pornofilm te maken.’
Clinton dus als de 'evil man' in het Witte Huis. Clinton gaat zelfs zo ver om te concluderen dat die rechtse kruistocht de Clintons uiteindelijk juist dichter bij elkaar gebracht heeft nadat hij eerst voor straf twee maanden op de canapé heeft moeten slapen en daarna een jaar met zijn gezin in therapie ging.
Clintons enorme vracht aan herinneringen levert een wonderlijk boek op: chaotisch, regelmatig zakt de schrijver weg in een zee van details, maar dan plotseling herrijst Clinton en zijn er ook weer die briljante analyses en geweldige anekdotes, vooral in het politieke gedeelte van het boek.
Een van de hoogtepunten was zijn afscheid van Arafat. Arafat noemde Clinton een ‘groot staatsman’ maar Clinton antwoordde onmiddellijk: ‘Nee, meneer Arafat omdat u mijn compromis niet wilde aanvaarden ben ik een mislukkeling.’ Clinton voorspelde nog wel even profetisch dat Arafat nu storm zou oogsten en de ultra-conservatieve havik Ariel Sharon aan een enorme overwinning zou helpen.
Met dit boek krijg je Clinton met alles er op en er aan: de gevoelsmens die dol is op Elvis Presley, de intellectueel die alle bekende filosofische werken heeft bestudeerd, de politicus die sluwer is dan al zijn tegenstanders bij elkaar en de gevoelsmens die oprecht goed probeert te doen voor anderen.
In ‘My Life’, door conservatieve tegenstanders al snedig ‘My Lie’ genoemd, krijg je geen vat op de zo gecompliceerde hoofdpersoon. Maar voor iemand die het fenomeen Clinton beter wil begrijpen is dit boek een must om te lezen. En daar gaat het in dit soort boeken toch vooral om.
AMSTERDAM
Ik ging naar Amsterdam met de bevriende kunstenares Aimeé Gautier. Overal in de straten zag je kerstverlichting en charmante winkeltjes. In het beroemde red-light district zaten de prostituees geheel legaal achter hun ramen. Aimée vroeg voor de grap of ik bij een van hen naar binnen wilde, maar dat wees ik af.
We bezochten de grote kerken, zagen de Van Goghs in het Stedelijk Museum en de Vermeers en Rembrandts in het Rijksmuseum. Tegen sluitingstijd moesten we het schitterende oude gebouw verlaten. Ik ging naar de garderobe om onze jassen op te halen. Er stond nog één persoon voor me in de rij. Toen die zich omdraaide, stond ik oog in oog met Rudolf Noerejev. We wisselden wat woorden uit en hij vroeg of ik een kopje thee met hem wilde drinken. Ik wist dat Aimée dat wel zou willen, maar buiten de deur liep een knappe jongeman fronsend en zenuwachtig op en neer, duidelijk wachtend op Noerejev, dus liet ik het maar zitten. Toen ik jaren later gouverneur was, zat ik eens in hetzelfde hotel met Noerejev in Taipei, Taiwan. Daar dronken we dan eindelijk laat op de avond ons kopje thee, nadat we beiden onze verplichtingen hadden vervuld. Hij kon zich onze eerste ontmoeting uiteraard niet meer herinneren.
In Amsterdam nam ik afscheid van Aimée, die naar huis ging, en stapte ik op de trein naar Kopenhagen, om vervolgens naar Oslo en Stockholm te reizen...’
Bill Clinton ‘My Life’,
Uitgegeven door Alfred A. Knopf, New York 2004
hard cover met foto’s, 957 pag.
Nederlandse vertaling ‘Mijn Leven’
Uitgegeven door Balans, Amsterdam 2004
paperback met foto’s, 1097 pag.
President Bush of president Cheney?
Bob Woodward is vooral een luisteraar
Oud-Bush medewerkers als terrorismebestrijder Clark hadden al een boekje open gedaan. We wisten dus dat de grote groep haviken vanaf dag één tijdens het Bush-presidentschap zo snel mogelijk korte metten wilde maken met Saddam Hoesein: de ‘Hitler van de eenentwintigste eeuw’.
In zijn vorige boek ‘Bush at War’ beschreef Woodward volgzaam de beraadslagingen in het Witte Huis rond de oorlog in Afghanistan. De president werd in dat boek getypeerd als een nieuwe Churchill. Hij groeide boven de partijen uit. Bush beslist en kiest op cruciale momenten voor de gematigde koers van Powell.
Dus niet Irak aanvallen maar eerst met een reuzencoalitie Afghanistan. Inzake Irak wilde Washington vooralsnog met de Verenigde Naties samenwerken. Bush en Powell waren de helden van ‘Bush at War’. De president was zeer in zijn nopjes met het ‘onderzoekswerk’ van Woodward.
Bush wilde bij de voorbereiding van Woodwards nieuwe boek maar liefst meer dan drie uren met hem praten. Bovendien kreeg iedere Witte Huis-medewerker de opdracht zo goed mogelijk met Woodward samen te werken.
Iedere journalist zou er zijn vingers bij aflikken. Ongelooflijk hoeveel ingangen die Woodward heeft. Bob Woodward, ‘mr. Watergate’, lijkt inmiddels wel heilig verklaard.
Welnu, het regent ‘onthullingen’ in ‘ Plan of Attack’. In januari 2003 besloot Bush, en niemand anders!, al tot een oorlog tegen Irak. De directeur van de CIA verzekerde Bush van een ‘slam dunk’, het aantonen van massa-vernietigingswapens was een eitje. De Saoedi-Arabische ambassadeur kreeg het plan als enige buitenstaander te zien omdat zijn land cruciaal was bij de oorlogsvoorbereidingen. Zelfs nog voordat Powell, als laatste!, op de hoogte werd gesteld.
Bij al die onthullingen zijn door regeringsofficials inmiddels ‘mitsen’ en ‘maren’ geplaatst maar het verhaal van Woodward zelf blijft aantrekkelijk leesvoer. Hij levert tal van kleurrijke anekdotes over de direct betrokkenen bij de Irak-oorlog.
Daar is de hondstrouwe Spaanse premier Aznar die op cruciale momenten president Bush belde met de mededeling: ‘Als u het moeilijk krijgt, weet dan dat de “snor” altijd naast u staat.’
Of neem machominister Donald Rumsfeld die min of meer aan grootmoedswaanzin lijdt. Zijn tekstschrijver moest voor de zoveelste keer een patriottische toespraak aanscherpen. Zelfs een citaat van Pericles werd door Rumsfeld veranderd. Op de opmerking dat de geschiedenis zo toch echt geweld werd aangedaan, reageerde Rumsfeld: ‘Schrijf het dan in mijn woorden op en eindig met, “zoals Pericles gedacht zal hebben” ’.
Woodward luisterde weer braaf, schreef alles keurig op. Woodward is geen opiniërende journalist. Hij is eigenlijk een bandrecorder die door anderen wordt bediend en dus gemanipuleerd. Natuurlijk staat zijn insidersboek meteen nummer één op allerlei bestsellerslijsten maar met onafhankelijke journalistiek heeft Woodwards relaas weinig te maken.
Duidelijk is dat Powell helemaal geen grote invloed heeft gehad op het beleid, zoals de president en dus Woodward eerder suggereerden. In dit boek wordt hij belachelijk gemaakt. Cheney zegt: ‘Powell is altijd maar met zijn eigen populariteit bezig. Het is altijd wat met hem.’
Arme Colin. Moest aan de vooravond van de oorlog in de Verenigde Naties een toespraak houden om de wereld te overtuigen van het bestaan van massavernietigingswapens terwijl hij tegenover Woodward toegeeft dat ook hij sterke twijfels had.
Van Powells waarschuwingen trok de president zich niets aan. Een beetje minister had zijn ontslag aangeboden maar Powell is geen echte politicus. In essentie is hij altijd de volgzame militair gebleven.
In het Witte Huis praat vrijwel iedereen Bush aan ‘geen millimeter te wijken.’ in zijn politieke koers. ‘Standing tall’, daar gaat het om. En inderdaad, de Amerikaanse president week geen millimeter.
Woodward analyseert niet. De lezer wordt in duisternis achter gelaten. Als aankomend president was Bush nog een onbeschreven blad in de buitenlandse politiek. Anno 2004 is hij opeens standvastig en is hij volgens Woodward een groot staatsman.
Maar wat is bijvoorbeeld de rol van vice-president Cheney geweest? Is Bush een instrument in de handen van de man die tijdens de eerste Golfoorlog de gematigde, pragmatische minister van Defensie was? De laatste jaren is Cheney getransformeerd in een conservatieve fanaticus die toegeeft dat hij iedere dag spijt heeft dat Saddam Hoessein niet meteen is afgezet.
Woodward beschrijft Cheney als een ‘machtige stoomwals’. Maar hoe zit het nu echt met die ‘onzichtbare hand’ van Cheney? Hoe precies wordt Bush beïnvloed? Dat wordt in dit boek niet duidelijk.
Kortom, zit momenteel president Cheney of president Bush in het Witte Huis? Woodward zwijgt en biedt ons tegenstrijdige anecdotes. Meer helderheid had kunnen worden verschaft wanneer Woodward ook de vader van de president uitgebreid had kunnen interviewen.
Het beleid van de huidige Bush staat haaks op het gematigde beleid van zijn Republikeinse voorganger. Op de vraag of hij advies aan zijn vader heeft gevraagd, zegt de president: ‘Ik luister naar een hogere vader.’
De conclusie is dat Bush aan Woodward is ontsnapt. Over wat er echt gebeurt in het Witte Huis krijgen we weinig te horen.
Natuurlijk is het boek van Woodward voor iedere Amerika-geïnteresseerde een ‘must’ om te lezen. Er is geen andere keus. Deze regering heeft bij uitstek geheimhouding hoog in het vaandel. Alleen aan de hand van Woodward mogen we het Witte Huis binnenwandelen.
Bob Woodward, Plan of Attack, Simon & Schuster, 467 pagina’s,
New York 2004
euro 32.76
Onvoorwaardelijke loyaliteit, dat is hét kenmerk van de Bush-dynastie. Dat geldt voor de huidige president Bush maar zeker ook voor de vorige.
Acht jaar lang was vader Bush vice-president onder Ronald Reagan. Aanvankelijk lagen de twee elkaar niet zo. In de verkiezingsstrijd van 1980 verloor Bush van Reagan. Reagans plannen voor een extreme belastingverlaging werden door Bush bestempeld als ‘voodoo economics’. Eenvoudige kwakzalverij dus waardoor een enorm begrotingstekort zou ontstaan.
Vooral Nancy had haar bedenkingen tegen de saaie, gematigde Bush. En tussen de flamboyante, modieuze First Lady en de ‘plattelandsmoeder’ Barbara boterde het al helemaal niet.
Maar de in de Amerikaanse hoofdstad zo onervaren Reagan had nu eenmaal een Washington-insider als Bush nodig. Acht jaar lang fungeerde Bush als de trouwe vazal van de president. Wekelijks lunchten ze met z’n tweeën en de vader van de huidige president is er maar wat trots op, zo vertelde hij deze week nog eens op CNN, dat nog nooit ook maar iets was uitgelekt naar de pers.
Toen Reagan in 1981 na een moordaanslag op de rand van de dood balanceerde, weigerde Bush de leiding van het land meteen op zich te nemen. ‘De president is nog steeds de baas’, sprak hij trouw op televisie. Zijn helikopterpiloot, die op die bijna fatale dag wilde landen op het gazon van het Witte Huis, moest naar elders uitwijken uit respect voor de president.
Loyaliteit aan anderen maar zeker ook ten opzichte van de familieleden, dat is het beeld wat steeds maar weer naar buiten wordt uitgedragen. Het Bush-establishment is hét establishment van de Republikeinse partij. Een gesloten bolwerk waar niemand omheen kan!
Maar het interessante van het portret van het schrijversechtpaar Schweizer is nu juist dat er binnen de familie meer verdeeldheid is dat tot nu toe bekend was.
De huidige president speelt daarbij een grote rol in en zijn levensverhaal is ook meteen het meest interessante element in ‘The Bushes’.
‘Little George’ groeide op in het woestijn- en oliestadje Midland in Texas. Het knaapje was een levendig ventje dat zich omringde met vriendjes en uitblonk in kattenkwaad. Zijn schooljuffrouw wist zich met enige regelmaat geen raad met hem. Hij was een buitenspeelkind, waar zijn jongere broertje Jebbie veel serieuzer was. Jebbie las boeken en wilde als kind al president worden. Kleine George spaarde honkbalkaartjes en droomde juist van een carrière in de ‘Major League.’
George kon vaak ruzie maken, vooral ook met zijn broertje. Daarbij was hij nog wel eens agressief. Hij was de baas en niemand anders. Met honkballen was hij super fanatiek. Hij kneep zo hard in het slaghout dat hij geen bal raakte, vertelde zijn toenmalige coach tegen de Schweizers.
Natuurlijk gingen de Bush-kinderen studeren aan de beste universiteiten zoals Yale en Harvard maar waar Jeb voor zware economische bijvakken koos, volgde George W. colleges filosofie en antropologie. Hij kreeg college van de vermaarde Margaret Mead maar uiteindelijk vond hij dat hij niets, maar dan ook helemaal niets van die colleges had geleerd.
Na zijn studie ging Bush terug naar Texas en in de olie-industrie maar dat werd aanvankelijk een grote mislukking. Hij voelde de druk van zijn beroemde familie en zocht zijn toevlucht tot alcohol. De auteurs beschrijven enkele van die dronkemansavonturen. Tegen een van de beste kennissen van zijn ouders vroeg hij met een dubbele tong temidden van een prestigieus gezelschap: ‘Hoe is het eigenlijk om sex te hebben als je boven de vijftig bent?’ (Toen Bush zelf die leeftijd bereikte, schotelde de dame hem enige dagen later dezelfde vraag voor)
Ondertussen werkte Jeb als succesvol zakenman aan een solide, ook politieke, basis in Florida. In 1994 besloot hij zich kandidaat te stellen voor het gouverneurschap van Florida. Tot verbijstering van de familie en vooral van zijn vader besloot George W. hetzelfde te doen in Texas. Zijn vader, waar hij vaak onenigheid mee had, liet overduidelijk blijken meer vertrouwen in Jeb te hebben. ‘Ik twijfel er geen moment aan dat Jeb een belangrijk politiek figuur in Amerika zal worden.’ Vader Bush voerde in Texas nauwelijks campagne voor zijn zoon.
Maar George W. won en Jeb verloor. George W. was inmiddels bekeerd tot een Evangelisch Christen, had de alcohol afgezworen en had een waardevol business-netwerk in Texas opgebouwd. De oud-president concludeerde: ‘De vreugde is in Texas maar mijn hart is in Florida.’
In dit boek wordt dus onthuld dat de twee Bush-presidenten als persoon maar ook politiek zeer verschillend zijn. Tegen de context die in dit boek wordt geschetst, is het beter te verklaren waarom Bush II zich niets aantrok van de waarschuwingen van zijn vader aangaande zijn unilaterale optreden in de Irak-oorlog. In zekere zin is de tweede Bush vergeleken met zijn vader de ‘anti-Bush’: conservatief, confronterend en ‘down to earth’. Niet zijn gereserveerde, gesloten vader maar de zonnige, optimistische Reagan is zijn grote held.
Buitenbeentje ‘W’ heeft eigenlijk meer het karakter van zijn expressieve moeder. Maar toch, hij is nu de naamdrager van de Bush-clan. En hij heeft de familie weer het presidentschap gebracht.
Meer nog dan de Kennedy’s is de Bush-familie dé politieke dynastie van Amerika. De Bushes hebben het land een senator (opa Prescott), twee gouverneurs (uiteindelijk ook Jeb in Florida) en twee presidenten ‘gegeven’.
Of er ooit een derde komt? Jeb zal ondanks de verschillen met zijn oudste broer uiteindelijk aanspraak kunnen maken op de loyaliteit van de familie, zo schatten de Schweitzers in. De steun van George W. zal hij uiteindelijk ook wel krijgen. De huidige president zal nooit vergeten wat zijn broer met zijn vele connecties in Florida bij de laatste verkiezingsstrijd voor hem gedaan heeft.
The Bushes. Portrait of a Dynasty
door Peter Schweizer en Rochelle Schweizer
hard cover met foto’s, 558 pagina’s
32.70 euro
via American Book Center
Het grote isolement van George W. Bush
30 januari 2001, de ‘Oval Office’. Bush is tien dagen president en de eerste vergadering van zijn Nationale Veiligheidsraad begint. Stipt op tijd want discipline staat hoog in het vaandel bij de nieuwe president. Op de agenda prijkt het Midden Oosten. De diverse ministers zijn door hun adviseurs uitgebreid gebriefd over het Israëlisch-Palestijnse conflict.
Bush neemt het woord. ‘De vorige regering heeft zich teveel bemoeid met dat probleem. Daarom zitten we nu met de gebakken peren. Als twee partijen geen vrede willen, dan kunnen we hen nu eenmaal niet dwingen.’ Bush vertelt vervolgens dat hij de Israëlische minister-president Ariel Sharon even één keer in 1998 heeft ontmoet. Ze vlogen met een helikopter over de Palestijnse kampen. ‘Het zag er echt slecht uit daar beneden. Ik zie niet goed wat we op dit moment daaraan kunnen doen. Het is de hoogste tijd dat we onze handen ervan aftrekken.
Minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell sputtert nog wel even tegen door op te merken dat de consequenties voor met name de Palestijnen enorm zouden zijn als Sharon zijn gang maar kan gaan.
Bush kapt ‘de discussie’ af. ‘Wat staat er op de agenda Condie?’, vraagt hij aan zijn nationale veiligheidsadviseur. ‘Irak, meneer de President’, antwoordt Condoleeza Rice zoals altijd beleefd.
En dat was het dan, aldus de zeer verbaasde minister van Financiën Paul O’Neill tegenover schrijver en Pullitzerprijs-winnaar Ron Suskind. Na meer dan dertig jaar van ‘intensieve engagement’ in het Midden Oosten, van Richard Nixon tot en met Clinton, was er sprake van een omwenteling in de Amerikaanse buitenlandse politiek. Er werd niet eens over gediscussieerd!
De omverwerping van Saddam Hoessein, dat was het favoriete onderwerp van de president. Daar wilde hij op diezelfde vergadering nog wel even over doorpraten. CIA-directeur George Tenet sprak van geheimzinnige banden tussen Saddam Hoessein en zelfmoordcommando’s in het Midden Oosten.. ‘Daar moeten we meer van weten’, reageerde Bush onmiddellijk. ‘En ook van zijn massavernietigingswapens’.
Na een uurtje vond Bush het welletjes. Iedereen kreeg een opdracht. Rumsfeld moest de militaire opties bestuderen voor een oorlog tegen Irak. Tenet zou rapporteren hoe de veiligheidsdiensten beter konden doordringen in Irak. En O’Neill kreeg de opdracht te onderzoeken hoe het regime financieel ondermijnd kon worden.
O’Neill kreeg opeens het gevoel dat de vergadering geregisseerd was. Door wie precies wist hij niet. Verschillende kabinetsleden hadden immers presentaties voorbereid over Irak terwijl een ander onderwerp op de agenda stond. En waarom had minister van Defensie Donald Rumsfeld de hele vergadering zijn mond dicht gehouden terwijl dit toch ook een favoriet onderwerp van hem was?
In de Clinton-tijd stond welhaast een verbod op de inzet van grondtroepen. ‘Dat was nu duidelijk van de tafel en bood nieuwe mogelijkheden’, concludeert Suskind die zich baseert op interviews met Washington-insiders maar vooral op de duizenden persoonlijke documenten en verslagen die O’Neill hem recentelijk beschikbaar heeft gesteld.
O’Neill is een van de meest gerespecteerde zakenmensen van de Verenigde Staten. Van het verlies leidende aluminiumconcern Alcoa maakte hij in korte tijd een zeer florerend bedrijf. Hij staat bekend als een sociale topmanager. Ook een echte analyticus die zich altijd baseerde op cijfermatig onderzoek. Bush wilde een vertrouwenwekkende minister van Financiën en het oog viel als vanzelf op O’Neill.
O’Neill verklaart in dit boek dat hij na een arbeidzaam leven eigenlijk geen zin had in weer een topfunctie. Hij stond op het punt een wereldreis met zijn vrouw te maken maar tegen de Amerikaanse president kun je nu eenmaal eigenlijk geen ‘nee’ zeggen wanneer hij je geschikt acht voor zo’n verantwoordelijke functie.
En bovendien was het vooral zijn oude vriend Dick Cheney die op hem inpraatte. Samen hadden ze voor de Ford en Nixonadministratie gewerkt. O’Neill was onder de indruk van die presidenten. Nixon en Gerald Ford eisten van hun topmedewerkers voortdurend analyses. Ze kenden hun zaakjes. O’Neill herinnert zich een persconferentie over de begroting waar hij als economisch expert naast Ford zat. Ford voerde een uur lang het woord. Pas op het eind speelde hij een vraag over woningbouw aan hem door. ‘Achteraf denk ik dat hij die materie echt wel kende maar mij ook iets wilde gunnen’, aldus O’Neil.
Het kijkje wat O’Neill ons gunt in de keuken van het Bush-Witte Huis is ronduit verbijsterend. In tegenstelling tot Ford en Nixon eist Bush helemaal niet dat er over diverse beleidskeuzes wordt gediscussieerd. De besprekingen gaan veelal over speculaties en geheimzinnige complotten. Ingewikkelde rapporten leest de president nauwelijks. De president prefereert mondelinge presentaties. Hij zwijgt doorgaans of maakt een korte opmerking. Hij richt zich maar op twee dingen: oorlog met Irak en de belastingverlagingen die hij de kiezers heeft beloofd.
Het eerste jaar van zijn ministerschap kon O’Neill een tweede ronde van extreme belastingverlagingen nog voorkomen.. Door de ingezette recessie vielen de belastinginkomsten tegen. Het recordbegrotingsoverschot van Clinton was als sneeuw voor de zon weggesmolten en zou volgens O’Neill exploderen bij verdere belastingreductie.
Maar O’Neill kreeg steeds minder invloed op de politieke koers. Wat betreft Irak was het niet meer de vraag waarom en hoe Irak zou worden aangevallen maar wanneer. ’11 september’ bracht de kwestie-Irak in een stroomversnelling, al lagen volgens O’Neill de plannen dus al geruime tijd klaar. Ze moesten alleen nog wat worden uitgewerkt.
Het weekend erna trokken de leden van de Nationale Veiligheidsraad met hun partners naar het presidentiële buitenverblijf Camp David. De hele dag door werd er vergaderd. Rumsfeld presenteerde in ‘no time’ een rapport van zijn inlichtingendienst over o.a. de economische mogelijkheden van Irak. Een grote deel van het land was verdeeld in olievelden waarbij sommigen werden gekwalificeerd als ‘super gigantisch’.
De sfeer kreeg iets van een volgzame sekte. Tegenspraak werd niet op prijs gesteld. ‘s-Avonds was er tijd voor enige ontspanning. De president rookte een grote sigaar terwijl de First Lady met de andere dames een houten puzzel van het Witte Huis met de ‘First Family’in elkaar zette. Minister van Justitie John Ashcroft speelde op de piano en Condoleeza Rice zong met haar prachtige stem ‘Amazing Grace’. In een hoekje liet George Tenet foto’s zien van mogelijke plaatsen van massavernietigingswapens in Irak en vertelde hij hoe de CIA anti-Amerikaanse elementen overal op aarde met de modernste technieken kon liquideren. De president kon het krijgen zoals hij het wilde, aldus Tenet.
O’Neill kwam er steeds meer achter dat de president geen behoefte had aan feitenmateriaal en zakelijke analyses. Wat voor hem slechts telde waren zijn beloftes tijdens de verkiezingscampagne. Het ging louter om de populariteit van de president.
Een echt gesprek met de president was nauwelijks mogelijk. Hij werd steeds meer afgeschermd door intimi als de strateeg Karl Rove, adviseur Karin Hughes en vice-president Dick Cheney.
Cheney speelde een vreemde rol. Hij zei nooit veel, was altijd op de achtergrond. Als er belangrijke vergaderingen waren kon Cheney er vaak niet bij zijn vanwege de terroristische dreigingen. Cheney moest fysieke afstand houden tot de president omdat hij nu eenmaal bij een calamiteit de president moest opvolgen. Maar toch voelde je dat Cheney erbij was en met onzichtbare hand dirigeerde. Tijdens vergaderingen keek hij vaak vanaf een videoscherm toe. Alweer op de achtergrond en vaak luisterend. ‘Cheney was iemand die zo weinig mogelijk vingerafdrukken wilde achter laten.’
Nadat de Republikeinen bij de Congresverkiezingen in november 2002 in beide huizen de meerderheid hadden behaald, wilde de president nog meer belastingverlaging doorzetten. O’Neill waarschuwde dat vanwege extra overheidsgaven inzake de oorlog tegen het terrorisme het begrotingstekort nu helemaal snel zou oplopen. Maar Cheney antwoordde dat de president vond dat hij het tegenover zijn kiezers moreel verplicht was. Onder Reagan had het middel immers ook gewerkt. Toen O’Neill opmerkte dat toekomstige generaties met enorme schulden werden opgezadeld, zweeg Cheney. O’Neill begreep er niets van. Was dit de gematigde, pragmatische Cheney van vroeger die altijd had geluisterd naar argumenten van anderen? Misschien had iedereen zich wel vergist in Cheney en was juist hij de grote souffleur van de onervaren president.
Met de zanger Bono maakte O’Neill een reis door Afrika. Hij was diep getroffen door de ellende die hij daar zag. In Ghana constateerde hij een nijpend gebrek aan water. O’Neill kon er ‘s nachts niet van slapen. Hij rekende vlotjes uit dat voor 25 miljoen dollar, ‘een schijntje!’, waterputten konden worden aangelegd waardoor op korte termijn iedere Ghanees over water kon beschikken.
Thuis gekomen legde hij het plan voor aan president Bush. Hij wees ook op de politieke voordelen. Een meer humanitaire buitenlandse politiek zou Amerika populair maken in de ontwikkelingslanden die een voedingsbodem voor terroristen zijn. Maar de president kwam niet verder dan de loze opmerking: ‘Dit probleem heeft mijn aandacht.’
O’Neill zag zelf wel dat zijn positie in het kabinet zo langzamerhand onmogelijk werd. Maar hij hield nu eenmaal niet van weglopen. Bush nam hem de gunstige publiciteit vanwege zijn Afrika-reis kwalijk. Begin december 2002 kwam het onvermijdelijke telefoontje van Cheney: ‘De president wil zijn economische team veranderen en dat heeft voor jou ook consequenties Paul. Laten we het netjes afhandelen.’ Of O’Neill de volgende dag tegen de pers maar even wilde zeggen dat hij vanwege privé-redenen wenste op te stappen.
Dat weigerde O’Neill. Hij verklaarde tegenover de verzamelde journalisten dat de president hem wilde vervangen, pakte snel zijn auto en reed naar huis.
Natuurlijk wordt O’Neill door mensen rondom Bush verweten dat hij met de uitlatingen in dit boek uit rancune handelde vanwege zijn ontslag. Tegen Suskind zegt O’Neill op het eind van het boek dat hij vindt dat het Amerikaanse volk recht heeft op de waarheid. ‘Ik ben rijk, onafhankelijk en niemand kan mij wat maken. Ik ben aan het eind van mijn carrière.’
O’Neill komt geloofwaardig over. Hij toont moed door in het openbaar stelling te nemen tegen het machtige Bush-establishment. Ik zie niet hoe O’Neill daarbij uit eigen belang handelde.
Suskind heeft op een nuchtere en goed gedocumenteerde wijze verslag gedaan van de gang van zaken in het Witte Huis. O’Neill is de eerste minister die met naam en toenaam uit de school klapt. Het wachten is op andere ex-kabinetsleden die zijn ervaringen durven te onderschrijven.
The Price of Loyalty,
George W. Bush, the White House and the Education of Paul O’Neill
door Ron Suskind,
Simon & Schuster, New York 2004, 348 pag.,
Bush en het beeld van een krachtige leider
(voorbeschouwing Republikeinse Conventie)
Maandag begint de Republikeinse Conventie. Dit weekend zal een van de grootste anti-Bush demonstraties van de laatste jaren gehouden worden. Wat heeft de Amerikaanse president te zoeken in het linkse New York?
Het is alsof de SGP haar nationale partijcongres houdt in de Rode Hoed. Texaanse cowboyhoeden in de ‘Big Apple’ notabene.
Toch is New York een slimme keuze. Als New York plaatjes oplevert van hippieachtige figuren, baardmannen en andere progressieve zonderlingen die Bush uit het Witte Huis willen jagen, zal hem dat alleen maar in de kaart spelen. Het gewiekste campagneteam van de president zal ongetwijfeld een link leggen tussen deze ‘achterban’ en ‘de meest linkse politicus in de Senaat’: John Kerry!
Net als Richard Nixon in de jaren zeventig zal Bush zich opwerpen als de kandidaat van de ‘zwijgende meerderheid’ oftewel de fatsoenlijke Amerikanen.
In deze campagne gaat het vooral om karakterimpressies van kandidaten. Welnu, Bush toont moed om in het hol van de leeuw zijn partijconventie te houden. Onverstoorbaar gaat hij voort. Van protesten van linkse rakkers trekt hij zich niets aan.
In de jaren negentig beweerde Clinton voortdurend dat de thema’s belangrijker waren dan de persoonlijkheid van een kandidaat. In de ‘War Room’ op zijn campagnehoofdkantoor in Little Rock stond met grote letters geschreven ‘ It’s the economy stupid!’. Het langzame economische herstel speelde vader Bush in de campagne van 1992 ongetwijfeld parten. De dynamische, aantrekkelijke persoonlijkheid van de jeugdige Clinton vormde een groot contrast met de bedaarde, passieve oude Bush. Juist dat imagoverschil zou wel eens de doorslag gegeven kunnen hebben in de toenmalige verkiezingsstrijd.
Wie Amerikaanse campagnes bestudeert, ontdekt hoe belangrijk de persoonlijkheid van een kandidaat is. Het wemelt van de voorbeelden. Dwight Eisenhower was de vertrouwenwekkende vaderfiguur, Kennedy de charmante, ideale schoonzoon, Nixon de herkenbare jongen van het kleinsteedse Amerika enz. enz.
Wanneer thema’s werkelijk doorslaggevend zijn dan zou Kerry nu een reuzenvoorsprong moeten hebben op Bush. Voor ‘economie’ scoort Bush een dikke onvoldoende. Er is een enorm begrotingstekort, er komen nauwelijks banen bij en de olie(benzine!)prijs breekt recordhoogten. De kosten voor gezondheids- en andere zorg reizen de pan uit. Een recordaantal van 44 miljoen Amerikanen loopt onverzekerd rond.
In Irak en Afghanistan zijn grote problemen. Het is een gotspe om te spreken van ‘mission accomplished’ in Irak want binnenkort zal de duizendste Amerikaanse dode vallen. Regeringsfunctionarissen geven in feite toe dat de Irak-oorlog op basis van een onjuiste legitimatie wordt gevoerd. Massavernietigingswapens zijn niet gevonden. In Afghanistan sprak minister van Defensie, Donald Rumsfeld, aanvankelijk over de glorie van de Amerikaanse bombardementen’ maar nog steeds zijn grote delen van het onherbergzame land onder controle van elkaar hevig bevechtende stammen en ‘krijgsheren’.
Natuurlijk doen thema’s er toe maar het karakter van een kandidaat geeft de doorslag. Het Bush-team richt zich dan ook logischerwijs niet op de economie en de oorlog in Irak maar juist op ‘de oneindige strijd tegen het internationale terrorisme’. Op dat terrein kan Bush zijn krachtige, onvermurwbare persoonlijkheid tonen.
Juist in de puinhopen van Ground Zero hervond Bush zijn presidentschap. Daar pakte hij de megafoon en riep tegen de terroristen dat ze nog van hem zouden horen. In feite verklaarde Bush een totale, oneindige oorlog tegen terroristencellen in zestig landen. De Amerikaanse burger moet dus veel verder zien dan de horizon van Irak en Afghanistan. Met kleurencodes en herhaaldelijke terreurwaarschuwingen wordt de kiezer er aan herinnerd dat de wereld definitief veranderd is na ‘nine-eleven’.
En inderdaad, de herinnering aan die zwarte dinsdag leeft nog enorm in het land. Onlangs bezocht ik Ground Zero. Natuurlijk, de rampplek ik keurig schoon geveegd en de metro rijdt weer. Maar het is nog steeds een gapend gat, een wond in de ziel van de natie. Ik had niet verwacht dat in de straatjes er omheen nog tal van winkels dichtgetimmerd zijn. Over hoge gebouwen hangen zwarte doeken. Het ziet er nog steeds spookachtig uit. ‘The rebuilding continues’ stond er op een grote Amerikaanse vlag.
Inderdaad, de Verenigde Staten is in oorlog, ook in eigen land nog in wederopbouw. Zowel fysiek als psychisch is het land er nog niet bovenop. Voor Amerikanen is ‘11 september’ als de dag van gisteren. Voor het eerst in de geschiedenis besefte iedere Amerikaanse burger, ook die in het geïsoleerde binnenland, dat wat in grotten ver weg wordt bekokstoofd, gevolgen kan hebben voor het dagelijks leven. En zeker in ‘eiland Manhattan’ zit de angst nog volop in de lucht. Overal is politie, zo lijkt het wel.
Bij zo’n collectieve geestesgesteldheid past een leider die onverstoorbaar is en geen wijfelaar, zo zal volgende week de Republikeinse boodschap luiden. Kerry stemde tegen de Eerste Golfoorlog, voor de Tweede, maar weer tegen het bedrag van 87 miljard dollar om Irak op te bouwen.
Via de dominante conservatieve media als Fox-News zal volgende week het beeld van de krachtige leider worden uitgedragen. Voor niemand bang. Niet voor Kerry, niet voor Saddam Hoessein, voor helemaal niemand.
Ground Zero ligt vlakbij Madison Square Garden waar de conventie wordt gehouden. En het is al gauw 11 september. Van de patriottische Republikeinse Nationale Conventie naar de patriottische herdenkingsceremonie op het voormalige WTC-terrein is zo een kleine stap voor Bush. De president heeft de komende weken de regie in handen. Bush zal zeker stijgen in de opiniepeilingen. Dat is treurig want in een echt democratisch land horen de thema’s de doorslag te geven.
