2003

200820072006 20052004 200220012000 199919981997 19961995 • 199419931992

 

 

Michael Moore verklaart Bush de oorlog Michael Moore-Dude where's my country 23-10-2003
Hillaryland Hillary Rodham Clinton- Mijn Verhaal 26-06-2003
JFK stond altijd in de schaduw van de dood Robert Dallek: An Unfinshed Life 12-06-2003
Amerikaanse cowboys en Europese huilebalken Robert Kagan, Balans van de macht. 24-04-2003

 

  

Michael Moore verklaart Bush de oorlog

Wij kennen Michael Moore als een begenadigd filmmaker, als een geniale komiek. Maar die Michael Moore bestaat niet meer. Moore is het lachen vergaan en is met zijn nieuwe boek een politieke activist geworden.

Moore is in ‘Dude, Where’s my country?’ wanhopig op zoek naar zijn vaderland. Hij is het oude Amerika kwijt, houdt zijn landgenoten een spiegel voor. ‘Het meest beangstigende van ons Amerikanen is dat we niets van het buitenland afweten. Aan buitenlands nieuws wordt door onze media alleen aandacht besteed als het ook over Amerika gaat. 65% van de jonge volwassenen weet zelfs niet eens Groot-Brittannië op de kaart aan te wijzen. 92% van ons heeft geen paspoort. Moet zo’n onwetend volk de wereld leiden? Onze president ziet nu pas wat van de wereld omdat hij moet, darnit, want dat is wat presidenten geacht worden te doen.’

Moore gebruikt gewone woorden en is juist daarmee vlijmscherp. ‘Dude, where’s my country’ is echt zo’n boek wat je in de tram of zelfs lopend in de Kalverstraat kunt lezen. Je leest het in sneltreinvaart uit.

Morris gebruikt z’n gezonde verstand, combineert allerlei bestaande nieuwsbronnen, bestudeert vrij gekomen archiefstukken en selecteert informatie uit de vele e-mails die hem vanuit alle hoeken in de wereld bereiken. En ondanks het huidige angstige en patriottische klimaat in Amerika is hij voor niemand, maar dan ook voor werkelijk niemand bang. Dat levert een bijzonder openhartig boek op waarbij Morris in zijn felle kritiek natuurlijk wel eens uit de bocht vliegt maar dat komt volgens eigen zeggen door de extreme tijden waarin we leven en waarin we voortdurend onder druk staan.

Het Amerikaanse volk is belazerd. Op pagina 16 roept Morris al: ‘Hoe kan een vent die voortdurend aan een nierdialyse-apparaat zit vastgeketend in een grot in Afghanistan gedurende twee jaar de acties van negentien terroristen minitieus voorbereiden en vervolgens de kaping van vier vliegtuigen perfect laten uitvoeren?’

Morris stelt dat ‘gewone’ terroristen helemaal niet in staat zijn om passagiersvliegtuigen met hoge snelheden op relatief kleine doelen, zoals het Pentagon, te laten neerstorten. Daar gaat een uitgebreide militaire training aan voor af.

Er is een volstekt verkeerd beeld geschetst van superterrorist Osama Bin Laden. Vijftien van de negentien kapers kwamen uit Saoedi-Arabië maar dat mocht niet door de media worden opgespeeld omdat de familie-Bush tot op de dag van vandaag huisvrienden zijn van Saoedi’s op het hoogste niveau. Moore stelt terecht dat als de vijftien terroristen Cubanen of Noord-Koreanen waren geweest de krantenkoppen heel anders hadden geluid.

President Bush heeft persoonlijk een twintigtal pagina’s uit het officiële onderzoek naar de oorzaken van ’11 september’ laten verwijderen die handelden over de rol van Saoedi-Arabië. Moore stelt dat het geen terroristische aanslag was maar een militaire aanval op Amerika.

De Bush-regering kreeg in de zomer van 2001 allerlei signalen dat er iets buitengewoon ernstigs op handen was maar zat gevangen in een web van intrigues met de Saoedi’s die via via ook de campagne van Bush financieel hadden ondersteund.

Moore vraagt zich zelfs af hoe het kan dat Bush op 11 september urenlang door het Amerikaanse luchtruim werd gevlogen. De Air Force One was toch ook een mogelijk doelwit. Bush was in Florida. Waarom is hij niet meteen naar een bunker gebracht? Waren er soms afspraken dat de Air Force One niet zou worden aangevallen?

Direct na 11 september werd alle aandacht verlegd naar Irak dat achter de aanslagen zou zitten. Moore noemt het onthutsend dat de helft van de Amerikaanse bevolking zelfs dacht dat de meeste kapers uit Irak kwamen, zo waren zijn landgenoten gehersenspoeld door de Amerikaanse media. Democratisch presidentskandidaat en ex-CNNcommentator generaal Wesley Clark onthulde dat hij op 11 september zelfs telefoontjes vanuit het Witte Huis kreeg om vooral maar te vertellen dat Irak achter de aanslagen zat.

 Moore wijst op een studie van de mediaonderzoeksinstelling Flair die zes Amerikaanse televisienetwerken in de eerste drie weken na 11 september heeft bestudeerd. Militaire bronnen werden twee keer zoveel geciteerd. Van de 840 opgevoerde deskundigen waren er slechts 4 tegen de oorlog. CBS-presentator Dan Rather maakte het wel heel erg bont door meteen uit te roepen: ‘Kijk, ik ben een Amerikaan. Ik heb nooit iemand op de mouw proberen te spelden dat ik een internationalist of zoiets ben. En als mijn land in oorlog is, wil ik dat mijn land wint, wat ook de definitie van winnen mag zijn.’

Moore ziet in de presidentsverkiezingen van 2004 de laatste kans om zijn land terug te winnen. Hij stelt dat zijn vorige bestseller ‘Stupid White Men’ door 2 miljoen mensen is gelezen en zijn documentaire ‘Bowling for Columbine’ door meer dan 30 miljoen Amerikanen is bekeken. Uit dit enorme reservoir zal, en ook via zijn internetsite MichaelMoore.com, een leger worden gerecruteerd dat de kandidatuur van Bush moet proberen te vernietigen. ‘Zij hebben het grote geld maar wij hebben de mensen aan onze kant’ stelt hij. Moore roept op tot actie zoals ‘Operation 10 Minute Oil-Change’ waarbij vanaf nu iedereen minimaal tien minuten per dag moet praten met een Bush-aanhanger over de schade die zijn regering het land en de wereld heeft aangebracht. In het Witte Huis stinkt het naar olie.

In een speciaal hoofdstuk geeft hij adviezen hoe je tegen je Republikeinse zwager of schoonzuster moet praten. Dat zijn mensen die zeggen dat ze Republikein zijn maar vaak helemaal niet weten waar dat gedachtengoed voor staat. Het zijn RINOs oftewel

‘Republicans In Name Only’. ‘Vraag aan je schoonzus of ze wil dat haar vijver voor het huis steeds meer wordt vervuild, vraag of ze het een goed idee vindt dat mannen meer rechten hebben en meer moeten verdienen. Wedden dat ze antwoorden geeft die haaks staan op wat conservatieve Republikeinen zeggen!’

Moore raadt ook iedereen aan om een niet zo geïnteresseerde en weifelende kiezer  op de verkiezingsdag per auto mee te nemen naar de stembus. ‘Blijf bij ‘m, geef ‘m een biertje. Loop met hem mee het stembureau in.’

Moore heeft nog hoop op een goede afloop in 2004. Hij vraagt zich af welke Democraat het tegen Bush wil opnemen. Aanvankelijk zag hij in Ophrah Winfrey de ideale kandidaat. Zij is iemand met veel geld en een enorme naamsbekendheid. ‘Ik heb volwassen mannen als een kind zien breken als zij haar een hand mochten geven.’ Moore ziet het al helemaal voor zich: iedere middag een televisieshow vanuit het Witte Huis om de band met het gewone volk te herstellen met dr. Phill op de achtergrond die verwarde Bush-Republikeinen gaat behandelen. ‘Run Ophrah, Run!’ roept Moore in dit boek uit.

Maar stel dat Ophrah zich geen kandidaat wil stellen, dan ziet Moore vooral in generaal Wesley Clark de ideale kandidaat, ook voor de Amerikaanse vrouwen die de meerderheid  van het electoraat vormen. Clark is voor vrouwenrechten zoals een vrije abortuskeuze. Hij wil het wapenbezit aan banden leggen. Clark heeft twintig geweren in huis voor de jacht ‘maar als iemand een automatisch wapen wil aanschaffen moet hij bij ons in het leger komen. Wij hebben genoeg van dat spul.’

Ook in zijn uitspraken over het milieu is Clark een lichtend voorbeeld. Moore citeert de generaal: ‘Menselijke wezens hebben wel degelijk invloed op het milieu. Het enige wat je hoeft te doen is boven de Andes te vliegen en te kijken naar de verdwijnende gletsjers onder je en te erkennen dat er zoiets als ‘global warming’ is en dat het allemaal nog maar net begonnen is nu ook China en India aan het moderniseren zijn geslagen.

Clark is tegen de huidige oorlog in Irak. Bush zal geen schijn van kans tegen hem hebben. Karl Rove, de grote regisseur achter Bush, zal van de verkiezingen ‘oorlogsverkiezingen’maken. ‘Maar wie wil je dat het land verder zal leiden? Een vent die op 11 september wegvluchtte en zich verstopte in Omaha, Nebraska of een van de beste generaals van het land? Clark heeft voor zijn militaire verdiensten de ‘Silver Star’, de ‘Bronze Star’, het ‘Purple Heart’ en de ‘Presidential Medal of Freedom’gekregen. Dankzij de Britten en de Nederlanders heeft hij ook nog een paar ridderoorden gekregen.’ Moore noemt zichzelf de ‘commander in chief’ en roept de Amerikanen op om op de generaal te stemmen in de overtuiging dat het de enige manier is om de ‘Republikeinse bastards’ te verjagen. Zijn sympathie ligt eigenlijk bij de groenen ‘maar vooruit, in het belang van het land en de wereld moeten we nu eensgezind zijn.’

De laatste zinnen in het boek van Moore klinken als een marsorder: ‘De ‘stupid white men’ zijn ons één keer te slim afgeweest... We houden van ons land en we maken ons zorgen om de wereld waarbinnen ons land bestaat. Er is geen reden om te verzinken in eigen wanhoop of cynisme. Er is alle reden om dit boek nu neer te leggen, de telefoon te pakken, naar buiten te gaan en het verschil te maken.’ De allerlaatste zin kan zo op een verkiezingssticker: ‘Dude, where’s your country? It’s right outside your window, just waiting for you to bring it home.’

Michael Moore  - ‘Dude, Where’s my country?’’

Penguin Books 2003, 249 pag.

Terug

 

Hillaryland

Meer nog dan Eleanor Roosevelt was Hillary Clinton de meest politieke first lady van de Verenigde Staten. Maar wordt ze ooit de machtigste politicus van het land? Willem Post denkt het antwoord te kunnen vinden in het onlangs verschenen Mijn verhaal.

De eerste zestig pagina's van Hillary Clintons boek lezen als de memoires van een oudere vrouw die terugblikt op een mooie jeugd. De sfeer was die van de televisieserie Happy days of van de film Grease. 'Baby-boomer' Hillary groeide op in zo'n typische jaren-vijftigbuitenwijk van Chicago. Vader was een welvarende zakenman. Met grote maatschappelijke problemen kwam Hillary nooit in aanraking. Het was nog de tijd dat het elk jaar beter zou gaan. The sky is the limit.

Hillary wilde ook grenzen verleggen en schreef als jong meisje naar de NASA om te informeren naar de mogelijkheid om astronaut te worden. Maar voor een meisje was dat nu eenmaal niet weggelegd. Even was Hillary boos, maar al gauw was ze weer het brave meisje dat zich keurig conformeerde aan haar strenge Republikeinse vader. Hillary werd een Goldwater-girl, reisde de conservatieve presidentskandidaat zelfs na als hij maar even in de buurt kwam. Ze doste zich uit als cowgirl en sloot zich aan bij de jonge Republikeinen.

Maar dan ontmoet ze tijdens haar rechtenstudie Bill Clinton. Op pagina 61 schrijft ze dat ze wanhopig verliefd op hem was. Ze beschrijft hem als een halfgod. Ze zag Bill voor het eerst te midden van een grote schare studenten: 'Een langharige Viking uit het verre Arkansas.' Hij sprak overal over: over de grote watermeloenen uit zijn dorpje Hope, maar ook over de wereldpolitiek en zijn oppositie tegen de Vietnam-oorlog. Hillary schrijft dat ze vanaf dat eerste contact met hem in gesprek is gekomen en dat het nooit meer is gestopt.

Ze heeft inmiddels een metamorfose ondergaan. Al voor haar ontmoeting met Bill had een jonge methodistische dominee haar meegenomen naar de South Side, de arme buurt van Chicago. Als haar vader dat had geweten! Ze ontwikkelt via allerlei hulpprogramma's de sociale kant van haar geloof. Ze ontmoet zelfs dominee Martin Luther King.

Bill en Hillary sluiten in elk geval ook een politiek huwelijk. Ze willen de wereld veranderen. Ze geloven in de maakbaarheid van de samenleving. Hillary wordt een van de juridische specialisten van een Congrescommissie die onderzoekt of het Watergatebewijsmateriaal sterk genoeg is om een afzettingsprocedure tegen Richard Nixon te beginnen. Bill en Hillary leiden in zuidelijke staten ieder afzonderlijk de campagne van de linkse anti-Vietnam-presidentskandidaat George McGovern. Bill wordt daarna de jongste gouverneur uit de Amerikaanse geschiedenis. Hillary volgt Bill naar het 'achterlijke' Arkansas, waarvan ze alleen maar weet dat er veel kippen zijn... en watermeloenen. Volgens Hillary is het vanzelfsprekend dat Bill Clinton in 1992 president van de Verenigde Staten wordt. Ze is een kritiekloze gelovige en wekt in deze passages zelfs even de indruk als een Tammy Wynette achter haar man te staan.

Wel schrijft ze over de chaos die Bill met name die eerste jaren in het Witte Huis veroorzaakte. Over de puinhopen in de kantoren en de ene na de andere nieuwe medewerker die Bill met adviezen kwam lastigvallen. Over de nachtelijke vergadersessies, want Bill wilde altijd overleggen en had maar vier, vijf uur slaap nodig.

Nee, dan Hillary's kantoorruimte. Daar ging het er gestructureerd aan toe. In Hillaryland heerste orde en regelmaat. Er werkten vrijwel alleen maar vrouwen. Het leek wel een loyale sekte. Bijna niemand vertrok uit Hillary's uitgebreide staf in al die acht jaren.

Hillary schrijft weinig over haar eigen rol in het Witte Huis. Hoe zij persoonlijk eiste dat er meer vrouwen in het kabinet kwamen, daar lezen we in dit boek niks van.

Wel schrijft ze hartstochtelijk over haar stokpaardje, de hervorming van de gezondheidszorg, waarbij ze weer nadrukkelijk ook Bills inspanningen roemt. Ze noemt het nog steeds geen blunder, maar juist een poging waar ze geweldig trots op is. Typisch Hillary. Overtuigd van haar eigen gelijk.

En waarom ook niet, want het is een schande dat er 37 miljoen onverzekerden in het rijkste land op aarde rondlopen. Hillary zegt dat de kern van het plan van de door haar geleide taskforce was om groepen burgers bij elkaar te brengen in onderhandelingspools met verzekeringsmaatschappijen, die liever eenzijdig dure tarieven oplegden. Een paar loopkrukken kost 2400 dollar! De Republikeinen zagen dit als overheidsdwang en voegden zo veel compromisteksten toe dat het uiteindelijk afgezwakte plan 1342 pagina's besloeg: een monsterlijk bureaucratisch gedrocht dat vervolgens dan ook geen meerderheid in het Congres haalde.

Hillary schrijft dat voor de Republikeinen de ware reden om dit plan onderuit te halen, was dat zij Bill Clinton geen groot politiek succes gunden 'in het volle besef dat Bill Clinton anders samen met Franklin Roosevelt tot de grootste presidenten van de twintigste eeuw zou behoren en verzekerd zou zijn van een herverkiezing'.

Hillary's boek is vooral ook één grote aanklacht tegen de Republikeinen. 'Bill Clinton was de enige Democraat waar ze bang voor waren en daarom hebben ze ons vanaf dag één onderuit proberen te halen.' Het Whitewater-onroerendgoedschandaal is daarvan de beste illustratie. Uiteindelijk werd na al die jaren van onderzoek geen bewijs gevonden. Hillary haat de rechtse Republikeinen. Ze schetst het beeld van spoken die als in een spiegelpaleis steeds weer opduiken. De rabiate Kenneth Starr was aanklager, jurylid en rechter tegelijk. Op het laatst van zijn onderzoek stuitte hij op een stoephoertje in Arkansas, Paula Jones, welk onderzoek hem in feite de weg wees naar Monica Lewinsky - voor de conservatieve Republikeinen een geschenk uit de hemel.

Hillary besteedt maar een paar pagina's aan het slippertje met de stagiaire. Natuurlijk is ze woedend op Bill. Dat hij haar heeft voorgelogen! Ze kon nauwelijks meer ademen, Op vakantie, wat later in Martha's Vineyard, sliep zij beneden en hij boven. 'Bill had alleen nog maar de hond als gezelschap.'

'Ik wist niet of ik nog zou vechten voor mijn man en mijn huwelijk maar ik was vastbesloten te vechten voor mijn president,' schrijft ze. De afkeer tegen de hypocriete Republikeinen hielp Hillary er weer bovenop: 'Het zijn sluipschutters van de rechterkant. Ze voerden Sovjet-achtige showprocessen op.' En ze waren hypocriet. Neem de conservatieve goeroe Newt Gingrich. Tijdens een officieel diner in het Witte Huis ging Hillary tussen hem en Tony Blair zitten. Misschien dat huisvriend Tony de sfeer wat kon verbeteren. Newt was alleraardigst, vond eigenlijk ook wel onterecht wat de Clintons was aangedaan. Om vervolgens een paar dagen later op de televisie keihard uit te halen naar het immorele karakter van Bill Clinton. En dan te weten dat een paar maanden later Gingrich vanwege buitenechtelijke escapades zelf het politieke veld moest ruimen als Republikeins leider. Terugblikkend deelt Hillary nog wat vileine tikken uit aan de Republikeinen. Ze schrijft dat Bill een vooruitziende geest had voor wat betreft het gevaar van het internationale terrorisme. 'Bill heeft er diverse diepgravende toespraken aan gewijd. Hij lag er 's nachts wakker van, maar in het door de Republikeinen veroorzaakte Lewinsky-tumult haalde het de voorpagina's niet.'

Opmerkelijk is dat tijdens de donkerste dagen van het presidentschap Hillary zelf de touwtjes in handen nam. Zij gaf de medewerkers les over 'impeachment-procedures' en stelde hen gerust. Het door Starr en de zijnen aangevoerde bewijsmateriaal zou nooit zwaar genoeg zijn voor een afzetting. Vol trots schrijft Hillary dat in die dagen een dikke zeventig procent van het Amerikaanse volk achter haar stond.

De schrijfstijl van Hillary is nuchter. Een enkele keer is er een meer persoonlijke observatie. Vooral Jackie Kennedy is een hartsvriendin op wie ze altijd kon terugvallen. Jackie waarschuwde dat Bill over een uniek charisma beschikte en dat zulke publieke figuren meer kans lopen op een aanslag. Hillary citeert ook Jackie als ze zegt: 'Als je de opvoeding van je kinderen verprutst, doet de rest van je leven er niet meer toe.'

Hillary schrijft veel over dochter Chelsea, maar een echt privé-leven was er natuurlijk niet. Chelsea wilde graag reizen, maar als ze meeging naar een ontwikkelingsland, was dat meteen ook een politiek signaal van Hillary om haar onafhankelijke dochter te tonen in een vrijwel altijd door mannen overheerste machomaatschappij.

Over haar reizen in de wereld schrijft Hillary oppervlakkig. Helmuth Kohl is vooral 'joviaal', Boris Jeltsin 'erg ondeugend' en oh ja, de Chiracs zijn 'zeer charmant en altijd vriendelijk' - een sneer naar George W.

Ze schrijft pas echt met passie als het om mensenrechten en vrouwenissues gaat, zoals tijdens de Vierde Wereldconferentie over Vrouwen van de VN in Peking. Hillary veroordeelde ook de Chinese overheid in scherpe bewoordingen. 'Ik denk dat het aan de vooravond van het nieuwe millennium tijd is de stilte te verbreken... Te lang al is de geschiedenis van de vrouw de geschiedenis van zwijgen. Het is een schending van de mensenrechten als kinderen worden doodgehongerd, als ze worden verdronken of gekeeld, als hun ruggengraat wordt gebroken, alleen omdat ze als meisje zijn geboren.'

Dit is de echte Hillary, die met dit boek niet zozeer haar memoires heeft geschreven, maar een politiek verhaal dat nog lang niet is voltooid.

Kan Hillary de eerste vrouwelijke president van de Verenigde Staten worden, hoewel ze eigenlijk te progressief is voor het conservatieve Amerika? Als gerespecteerd senator van een grote staat als New York kan ze werken aan een wat ander imago. Ze kent als geen ander de regels van het spel. Natuurlijk zegt ze dan in elk interview dat ze in 2004 of 2008 niet van plan is mee te doen aan de presidentsverkiezingen. Maar ik geloof er niks van. Hillary weet dat de meeste Amerikanen thuis blijven om te stemmen en ze weet ook dat er miljoenen moderne Amerikaanse vrouwen zijn die hartstochtelijk geloven in Hillaryland en wel naar de stembus zullen trekken. Hillary heeft naamsbekendheid. Met dit voor haar doen openhartige boek zet ze zichzelf nog eens te meer als een nuchtere, intelligente vrouw in de markt. En als het echt op campagnevoeren aankomt, zal ze profijt kunnen trekken van de beste campagnevoerder uit de moderne Amerikaanse geschiedenis: Bill Clinton, die ook nog eens een eerste klas fundraiser is. (Onlangs scoorde Hillary bij een peiling onder de Democratische presidentskandidaten 43 procent van de stemmen; senator John Kerry, die als tweede eindigde, haalde elf procent.)

Het gaat om de timing. Als de zittende president minder populair wordt, zal er worden gewikt en gewogen. Het gesprek tussen Hillary en Bill zal dus nog wel even voortduren. Mijn verhaal maakt duidelijk dat dit politieke duo nog lang niet klaar is met de VS en de wereld. Macht smaakt naar meer. Maar zeker Hillary heeft ook een missie, blijkt overduidelijk uit dit boek.

Hillary Rodham Clinton: Mijn Verhaal. Balans, € 25

Terug

 

JFK stond altijd in de schaduw van de dood

Vele duizenden boeken zijn inmiddels over John Kennedy vol geschreven. In de jaren na de moord in Dallas werd een mythisch beeld geschapen. JFK was de onsterfelijke ridder in het glinsterende harnas. 'He had it all'. Als Amerika één grote supermarkt is dan was het Kennedy-product een enorme bestseller. Kennedy straalde glamour en succes uit, maar ook eenvoud en sportiviteit.

The New York Magazine vertolkte de gevoelens van verering toentertijd misschien wel het beste: 'Als we aan hem denken zien we hem voor ons, blootshoofds, staande in weer en wind. Hij hield niet van overjassen en hoeden. Hij droeg ze liever niet. Hij was jong en taai genoeg om de kou en stormen van deze tijd te trotseren. (...) Men kan van hem zeggen wat maar van weinig mensen kan worden opgemerkt: hij schrok niet terug voor slecht weer en hij streek de zeilen niet. In plaats daarvan trotseerde hij de storm; hij trachtte hem te beïnvloeden, opdat er een zachtere en meer vriendelijke wind over de wereld en de mensheid zou waaien.' Kennedy, dol immers op retoriek, had die woorden zelf geschreven kunnen hebben.

Wat er werkelijk achter die schone façade schuilging, zou pas in de jaren zeventig en tachtig bekend worden. Nog in 1993 baarde historicus Thomas C. Reeves opzien met een uiterst kritisch boek over zijn voormalige idool. In A Question of Character analyseert hij het karakter van Kennedy en komt tot de conclusie dat het haaks staat op het idealistische beeld van de man. Kennedy was een kille machtspoliticus die vooral dankzij het geld van zijn vader in het Witte Huis kwam. Reeves doet uitgebreid verslag van diens amoureuze escapades met maffiavriendinnetjes als Judith Campbell.

Als politicus had Kennedy met zijn mislukte Varkensbaai-incident en zijn risicoloze burgerrechtenpolitiek nauwelijks iets bereikt. Als persoon bleek Kennedy een amoreel iemand te zijn die aan de lopende band leugens en halve waarheden had verkondigd, aldus Reeves.

Die revisionistische schrijvers zijn er echter niet in geslaagd het grote publiek te beïnvloeden want ook recentelijk bleek maar weer eens uit opiniepeilingen dat de meeste Amerikanen John Kennedy nog steeds als de grootste president van de twintigste eeuw beschouwen.

In 2003, veertig jaar na zijn dood, is historicus Robert Dallek er in geslaagd een evenwichtig beeld van Amerika's 35ste president te schetsen. In de Kennedy-bibliotheek in Boston kreeg Dallek als eerste onderzoeker onbeperkt toegang tot de archieven van naaste familieleden, vrienden en de persoonlijke Kennedy-arts.

Dallek komt met opzienbarende onthullingen. Als de kiezers hadden geweten van Kenedy's zeer slechte gezondheid was hij in 1960 nooit tot president van de Verenigde Staten gekozen.

Tussen 1955 en 1958 heeft hij negen keer in het ziekenhuis gelegen. Hij leed aan ernstige rugklachten. Door veelvuldige operaties kreeg hij steeds weer terugkerende rugabcessen met de daarbij behorende hoge koortsen. Kennedy leed verder aan zware buikkrampen, prostaatproblemen, diarree, slapeloosheid, depressieve gevoelens en vermoeidheidsklachten. Ernstig was ook een bijnierschorsafwijking. Als senator had hij twee keer op sterven gelegen. Hij kreeg dagelijks grote hoeveelheden injecties en medicinale cocktails toegediend. Broer Robert vond de drankjes soms zo mysterieus dat hij ze zelfs liet testen in een legerlaboratorium.

Dallek onthult dat de president ook grote doseringen amfitaminen en steroïden kreeg voorgeschreven die zijn botten nog verder verzwakten waardoor de pijnen alleen maar toenamen. De president kon vaak niet anders dan strompelend de helikoptertrap nemen. Dallek meent dat de Verenigde Staten nooit meer het risico mogen nemen dat zo'n ongezonde president het Witte Huis betrekt.

Aan de andere kant stelt hij vast dat Kennedy's politieke werkzaamheden uiteindelijk niet negatief zijn beïnvloed door deze gezondheidsklachten. Over Kennedy hing altijd de schaduw van de dood, van de sterfelijkheid. Het bracht hem de essentie van het leven bij.

Door zijn ziektes ontwikkelde Kennedy een bijzondere moed. Juist hij had natuurlijk gemakkelijk onder de militaire dienst uit kunnen komen, zoals een paar latere presidenten wel hebben gedaan. Maar juist hij koos voor de oorlog en werd een held. En ondanks dat hij te maken had met een conservatief Congres en met een hardnekkig, openlijk beleden racisme in grote delen van het land durfde hij het uiteindelijk aan om publiekelijk op de Amerikaanse televisie de rassenscheiding scherp te veroordelen. Het is waar dat de nieuwe president Johnson de 'Great Society' realiseerde, maar het is ook waar dat Kennedy het grondplan legde. Hij ontwierp de burgerrechtenwetgeving, de nieuwe onderwijswet en allerlei gezondheidsprogramma's voor ouderen en zwakkeren.

Kennedy heeft nooit de kans gekregen in een tweede termijn zijn binnenlandse prrogramma echt waar te maken. Na de zeer nipte overwinning in 1960 op Richard Nixon, die hem slecht een dun mandaat opleverde zou in 1964 een grote overwinning zijn gevolgd op Barry Goldwater, zo schat Dallek terecht in.

Dallek probeert aan te tonen dat het onder Kennedy II nooit tot een Vietnam-escalatie was gekomen. In de herfst van 1962 gaf Kennedy zijn defensieminister Robert McNamara opdracht een planning op te zetten voor een terugtocht uit Vietnam. In september 1963 zei Kennedy in een interview: 'Uiteindelijk is het aan de Zuid-Vietnamezen zelf om de oorlog te winnen of te verliezen.' Twee dagen voor zijn dood beval hij het ministerie van Buitenlandse Zaken uitdrukkelijk te onderzoeken 'hoe we uit Vietnam weg kunnen komen.'

Misschien speculeert Dallak te veel. Maar in ieder geval lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat het onder Kennedy niet tot een escalatie in Vietnam was gekomen en dat is historisch gezien het belangrijkste wat Dallek ons in dit boek mededeelt.

Natuurlijk kan ook Dallek in zijn vuistdikke biografie niet om de Kennedy-dames heen. Hij schrijft over de negentienjarige Witte Huis-stagiaire 'Mimi' die niet eens kon typen maar uiteindelijk wel op de administratie terecht kwam op uitdrukkelijk verzoek van JFK. Zij moest de telefoon opnemen en die ging zo vaak af dat ze ook niet eens aan typen toe kwam. Overal reisde de oogverblindende schoonheid de president in de wereld achterna om hem haar andere diensten aan te bieden.

Toen ze een keer van haar directe chef op het Witte Huis moest achterblijven en Kennedy in Berlijn was om zijn beroemde 'Ich bin ein Berliner'-speech uit te spreken, belde de president hoogstpersoonlijk op om haar baas met onmiddellijk ontslag te dreigen als 'Mimi niet onmiddelijk zou worden overgevlogen'. (Inmiddels heeft de Amerikaanse pers de zestigjarige oma in New York opgespoord en heeft ze de romance toegegeven.) Om de paar uur moest de seksuele honger van de president gestild worden, want anders zou hij migraine krijgen, aldus Kennedy zelf ter verklaring tegenover vrienden.

Dallek voegt er aan toe dat Kennedy er diep van doordrongen was dat de wereld heel dicht bij een nucleaire ramp was en dat hij daarom ten volle van het leven wilde genieten nu het nog kon. Morele beletsels waren er niet. Hij leefde als een Britse edelman in het voetspoor van zijn overspelige vader en bewonderde vooral Lord Melbourne die een erkend vrouwenversierder was.

Maar deze avontuurtjes zijn toch slechts een voetnoot in Dalleks boek. Dallek bewondert Kennedy ondanks diens karakterzwakheden. 'Kennedy heeft niet kunnen bewijzen een groot politicus te zijn, maar het allerbelangrijkste is dat hij na veertig jaar nog steeds geassocieerd wordt met een gevoel van hoop, van belofte, van onbegrensde mogelijkheden. Oudere Amerikanen treuren nog steeds over een verloren toekomst, die zoveel beter had kunnen zijn.'

In een nuchtere schrijfstijl weet Dallek de (jongere?) lezer de Kennedy-fascinatie bij te brengen. Deze biograaf stijgt uit boven eerdere boeken waarin schrijvers zich te vaak lieten verleiden tot ranzige verhalen over Kennedy's privé-leven. Hij schrijft vooral over de publieke figuur Kennedy. Over een onervaren politicus die tijdens de Cuba-crisis uitgroeide tot een internationaal gerespecteerd staatsman die achter de schermen een persoonlijke, 'standvastige en verstandige' diplomatie voerde met de Russen. Unfinished Life is de meest belangwekkende Kennedy-studie tot nu toe.

Robert Dallek: An Unfinshed Life.

John F. Kennedy 1917-1963

Little Brown And Company € 22,50

Terug

 

Amerikaanse cowboys en Europese huilebalken

Schrijver-journalist Robert Kagan weet haarfijn waarom 'de stoere Amerikanen van Mars afstammen en die slappe Europeanen van Venus'. In zijn veelbesproken analyse schetst hij een wel heel eenvoudig doorkijkje: Amerika en Europa zijn historisch gezien elkaars tegenpolen.

Kagan schetst in ruwe trekken de geschiedenis van beide continenten. Bij de geboorte van de Amerikaanse republiek vierde het idealisme hoogtij. De jonge boerenstaat, ontsproten aan de Verlichting, werd slechts beschermd door een handjevol soldaten en liep groot gevaar. Op het reusachtige Amerikaanse continent waren koloniale mogendheden als Frankrijk en Engeland in de eerste jaren nog machtige concurrenten. Een oorlog tegen de gecombineerde legers van de Europese mogendheden zouden de Amerikanen zeker verliezen.

Amerikaanse politici zochten daarom ter bescherming hun heil bij het internationaal recht. Nog tot diep in de twintigste eeuw zien we de restanten van dat Amerikaanse legalisme. De oprichting van de Verenigde Naties in 1945 in San Francisco, het geesteskind van president Franklin Roosevelt, moet worden gezien als een in essentie Amerikaanse poging de wereld van een hobbesiaanse, vooral Europese chaos te bevrijden. Met het charter van de Verenigde Naties ontstond een nieuwe rechtsorde.

Dat de Verenigde Staten aan landen als Frankrijk, die militair gezien niet opkonden tegen de nieuwe supermacht, een zetel in de Veiligheidsraad toestond, ziet Kagan als een bewijs van Amerikaans verlicht denken na de donkere jaren van de Tweede Wereldoorlog. 'Amerikanen willen in principe macht delen.' Dat hoort volgens Kagan bij het karakter van Amerika. De Koude Oorlog en de militaire verplichtingen die daaruit voortvloeiden, maakten van de Verenigde Staten definitief een grote militaire mogendheid.

Europa maakte een totaal andere ontwikkeling door. In de perfide Oude Wereld regeerden vorsten eeuwenlang volgens machtspolitieke concepten. Pas na twee wereldoorlogen, waarbij de Amerikanen als de grote redders intervenieerden (over bijvoorbeeld de Russische inspanningen in de Tweede Wereldoorlog lees ik niets), waren de Europeanen zo verzwakt dat zij de hypermacht Amerika niet meer konden bijbenen. Nu wilden juist zij beschutting zoeken in het internationaal recht, waarvoor ieder mens, en in wezen dus elke natie, gelijkwaardig is.

Vol trots schrijft Kagan dat Amerika geen misbruik maakt van zijn unieke macht. Amerika heeft een geweten. 'Amerikanen eisen niet het recht van de sterkste op en nemen tegenover de rest van de wereld ook niet - zoals de Atheners bij Melos-de houding aan dat de 'sterksten de dienst uitmaken waar zij dat kunnen en de zwakken lijdzaam ondergaan wat hun wordt aangedaan. De Amerikanen hebben de principes van Europa's oude orde en het machiavellistische perspectief nooit omarmd. De Amerikaanse samenleving is door en door liberaal en progressief...'

Wat een onzin! Alsof de conservatieve revolutie van Reagan er niet is geweest. Alsof Bush 2 niet de meest conservatiefste president uit de moderne Amerikaanse geschiedenis is. Alsof ook Amerikanen bijvoorbeeld in Irak geen grote economische belangen hebben.

Kagan ergert zich aan de voortdurende kritiek op de huidige Amerikaanse president. Hij wijst erop dat Clinton in de jaren negentig al sterke unilaterale trekken vertoonde, bijvoorbeeld als het ging om ook zijn kritiek op het Internationale Strafhof in Den Haag.

Maar zulke observaties zijn nu juist ook zo irritant aan simplistische pamfletten als dat van Kagan. Hij zoekt selectief naar wat maar in zijn kraam te pas komt. In zijn zoeken naar grootse vergelijkingen en parallellen ontgaat hem de uniciteit van gebeurtenissen en personages.

Natuurlijk, je kunt Clinton wel een beetje met Bush vergelijken als het gaat om het uitspelen van de grote Amerikaanse machtskaart. Maar daar staat tegenover dat Clinton uiteindelijk wel dwars tegen een meerderheid van de Amerikaanse bevolking in wilde ingrijpen in Kosovo. Kagan heeft gelijk dat op de Balkan geen Amerikaanse belangen lagen. Maar wat was dan wel de reden om in te grijpen? Misschien wilde Clinton wel de Europese eenheid redden, zoals Kagan zelf oppert. De president die nu in het Witte Huis zetelt, had zoiets nooit gedaan. En datzelfde geldt voor Clintons persoonlijke, intensieve bemoeienis met betrekking tot het vredesproces in Noord-Ierland en het Midden Oosten.

Kagan gaat totaal niet in op de verwijdering tussen Europa en de Verenigde Staten in de eerste jaren van president Bush, toen de Amerikanen zich abrupt uit het ABM-verdrag terugtrokken en uit een hele serie andere verdragen waar Clinton vaak wel voorstander van was.

Na zijn eerste bezoek aan de Europese regeringsleiders sprak Bush tegenover de conservatieve journaliste Peggy Noonan de historische woorden: 'Ieder van hen kritiseerde mij hevig. Ik heb keurig naar ze geluisterd. Op het eind nam ik het woord. Ik vatte even samen wat zij zeiden. Ik bedankte hen, maar ik liet ze overduidelijk weten dat het Amerikaanse standpunt ten aanzien van Kioto en andere hot issues geen millimeter was veranderd. Ronald Reagan zou trots op me zijn geweest.'

Kagan wil ons Europeanen nog wel nageven dat wij om begrijpelijke redenen, gezien de verschrikkingen van de oorlogen op ons continent, uiterst kritisch staan ten opzichte van het fenomeen oorlog. Hij constateert ook dat na de Koude Oorlog de Verenigde Staten in een zo langzamerhand wel heel uitgebreide reeks van oorlogen betrokken zijn geweest. Wellicht dat Amerikanen, als de verschrikkingen van de nieuwe oorlogen goed doordringen, beseffen dat het Europese 'vredesmodel' zo gek nog niet is als het gaat om het voortbestaan van de aarde. Want, al benoemt Kagan het niet zo, uiteindelijk gaat zijn boek vooral daarover in een tijd dat meerdere landen over atoomwapens beschikken. Ondanks alle indrukwekkende militaire technologie waar Kagan zo trots over schrijft, bestaan er geen schone oorlogen.

Kagans boekje legt allerlei, vaak voor de hand liggende, structurele gebeurtenissen bloot. Met allerlei menselijke factoren houdt hij onvoldoende rekening. Ja, we weten dat Amerika militair-strategisch gezien veel sterker is dan de rest van de wereld bij elkaar. Maar we weten ook dat op 11 september 2001 een groepje burger-terroristen een gat in het pantser van de supermacht kon slaan. Daar schrijft Kagan nauwelijks over. Dat past eenvoudig niet in zijn machtspolitieke denken.

Robert Kagan, Balans van de macht.

De kloof tussen Amerika en Europa, 2003 De Bezige Bij, € 13,50

 

Terug