2002

200820072006 20052004200320012000199919981997199619951994 • 19931992

 

 

George Bush in de rol van Winston Churchill Bob Woodward - Bush at War 12-12-2002
Waarom de Verenigde Staten worden gehaat M.Hertsgaard - De schaduw van de macht 26-09-2002
Het geschonden aangezicht van de Verenigde Staten Phyllis Bennis - Before & After 05-09-2002
De succesformule voor iedere politicus Dick Morris - Power Plays 04-07-2002
Bill, de raadselachtige Joe Klein - The Natural 25-04-2002
Pappen en nathouden van Bush in Midden-Oosten funest   06-04-2002
De Verenigde Staten volgens Van Rossem M.v.Rossem - De VS in de twintigste eeuw 31-01-2002

 

  

George Bush in de rol van Winston Churchill

De afgelopen dertig jaar was Bob Woodward de meest invloedrijke onderzoeksjournalist van de Verenigde Staten. Dankzij de publicatie van All the President's Men, waarin het verhaal van Watergate werd onthuld, werd hij zelfs wereldberoemd. Geen collega had zo veel bronnen in de Washingtonse slangenkuil. Om de paar jaar verschijnt een sensationeel bestsellerboek van Woodward waarin de lezer een uniek kijkje achter de schermen van de grote wereldpolitiek wordt gegund. Zo beschreef hij in The Commanders uitgebreid de militaire strategie die naar de eerste Golfoorlog leidde, drong hij in Veil door tot het hart van de CIA en beschreef hij in The Agenda de eerste tumultueuze jaren van het Clinton Witte Huis.

Bush at War is de spannende kroniek van de regering-Bush die direct na de aanslagen van 11 september vorig jaar een antwoord moest geven. Spannend, want schrijven kan Woodward als de beste. Het levert rode-oortjesjournalistiek dat leest als een filmscript.

Op 15 september, vier dagen na nine eleven, reizen we mee naar het presidentiële buitenverblijf Camp David voor crisisberaad. In elk ander land zou het (tientallen) jaren duren voordat we iets van die geheime beraadslagingen zouden weten, maar gelukkig is daar Woodward, die als 'de vlieg op de muur' alles ziet en hoort. Minister Rumsfeld van Defensie begint zich meteen hardop af te vragen of 'terroristenstaat' Irak onmiddellijk moet worden aangevallen.

Maar minister Powell van Buitenlandse Powell brengt daar tegenin dat Washington zijn bondgenoten zal verliezen als het niet met harde bewijzen van Saddam's betrokkenheid komt. Urenlang wordt vergaderd. Dan zegt president Bush dat hij niet wil dat andere landen Amerikaanse acties dicteren. 'Het moment is gekomen dat wij in alle eenzaamheid moeten beslissen. Dat vind ik prima. Wij zijn Amerika.'

Daarna ontspant het gezelschap. Nationale Veiligheidsadviseur Condoleezza Rice trekt zich met een paar mensen terug om wat nationale hymnes te zingen, zoals het emotionele America the Beautiful en Bush trekt zich helemaal van niemand wat aan door urenlang te gaan puzzelen. Woodward wekt constant de indruk onder de tafel te zitten. Hij weet zelfs wat de president voelt. 'Bush maakte ondanks alles een relaxte indruk.'

Woodward vindt dat de president in die dagen in hoog tempo boven de ruziënde partijen uitgroeit. Elke regering kent een factiestrijd, maar in de Bush-regering lopen de spanningen wel heel erg op. Ook vice-president Cheney wil onmiddellijk Irak aanvallen. Powell en Cheney weigeren voor lange tijd met elkaar te praten.

Powell wordt op alle mogelijke manieren tegengewerkt. Bijvoorbeeld door Karl Rove, de belangrijke adviseur van Bush die tijdens de presidentiële campagne 'al iets van een arrogantie en zelfs ongehoorzaamheid bij Powell' ontwaarde, mede omdat de zwarte oorlogsheld ervan overtuigd was dat hij Bush aan veel stemmen in de verkiezingsstrijd had geholpen. En ook door Rumsfeld, die het voor elkaar kreeg vanuit Washington een persconferentie te verbieden die de door het Midden-Oosten reizende Powell op het punt stond te beginnen.

Powell was van plan geweest de Amerikaanse betrokkenheid bij het vredesproces in die regio nadrukkelijk te onderstrepen. Hij vertelde Woodward dat hij geregeld het idee had dat hij in een totaal isolement verkeerde, 'opgesloten als in een vrieskist'. De grote havikenfactie in het kabinet verbood Powell zelfs op zondagochtend in de Amerikaanse tv-ontbijtshows commentaar te geven op de ontwikkelingen in de strijd tegen het terrorisme. Dat kon maar beter worden overgelaten aan de felle Rumsfeld en Cheney.

Maar steeds als de chaos te groot dreigt te worden, voert Woodward de grote held van zijn boek, Bush, op. De president laat zich tegenover hem ontvallen: 'In al die vergaderingen van mijn Nationale Veiligheidsraad eis ik dat iedereen zijn kaarten op tafel legt. Ik moedig verschillende beleidsopties van harte aan. Het aardige van het presidentschap is dat ik de enige ben die zich niet in zijn kaart hoeft te laat kijken.'

Kortom, de president luistert en beslist. In Bush at War lijkt het alsof er momenteel in Washington een nieuwe, standvastige 'Churchill' zetelt. Een echte oorlogspresident! Bush is 'on target', weet wat hij wil. Hij heeft een groot messiaans plan voor de wereld waarin een strijd tussen goed en kwaad wordt uitgevochten. 'Je bent voor ons of tegen ons! Een tussenweg is er niet.'

De Bush-doctrine, die afgelopen zomer werd gepresenteerd en op basis waarvan onder leiding van de VS met alle mogelijke middelen de ene brandhaard na de andere zal worden opgeruimd, past bij dit brede concept van een nieuwe wereld. In dit scenario zijn de oorlogen tegen Afghanistan en eventueel Irak nog maar de eerste testcases. Volgens Woodward was de opmerking van Bush over een 'kruistocht tegen de islam' dan ook heel wat meer dan simpele retoriek.

Woodward stelt dat als Bush eenmaal gekozen heeft voor een bepaalde beleidslijn, hij daar niet meer van afwijkt. De president blaakt van zelfvertrouwen. 'Hij is weliswaar geen groot kenner van de buitenlandse politiek, maar hij leert snel en hij heeft een instinct voor de juiste politieke koers.'

Daarmee bedoelt Woodward dat Bush uiteindelijk, als het erop aankwam, koos voor de gematigde Powell. Niet Irak maar Afghanistan moest eerst worden aangepakt. Eerst mocht Powell een reuzencoaltie aaneensmeden. Powell was bang dat grootschalige bombardementen op Taliban-steunpunten de nieuwe bondgenoot Pakistan zou vervreemden van Washington. Vandaar dat Powells bondgenoot in Washington, CIA-directeur George Tenet, eerst zijn plan mocht uitvoeren om CIA-agenten met miljoenen dollars Afghanistan in te sturen. Die moesten deserterende 'warlords' die zich wilden aansluiten bij de Noordelijke Alliantie, omkopen voor ieder vijftigduizend dollar. Rumsfeld en de zijnen vonden het maar raar: dat onnozele vertrouwen op James Bond-achtige types op ezels!

Woodward concludeert dat dit plan van de CIA en het ministerie van Buitenlandse Zaken een groot succes was, al vergeet hij gemakshalve dat er uiteindelijk toch grote bombardementen kwamen, waardoor de Noordelijke Alliantie in een paar dagen tijd van in plaats van vijftien zo'n negentig procent van het hele land beheerste. Rumsfeld kon weer eens spreken van de 'magie van de Amerikaanse bombardementen'. Rumsfeld had eerder in plaats van de 'agenten op ezels' gepleit voor 'laarzen op de grond'. Hij had veel meer grondtroepen willen inzetten, waardoor ook de uit de grotten van Tora Bora vluchtende Al Qaida-strijders, inclusief Bin Laden, de pas afgesneden had kunnen worden.

Op dit soort vraagstukken gaat Woodward niet in. Hij registreert slechts. Zo vertelt hij op het eind van zijn boek over een diner afgelopen augustus. Bush was weer eens bewerkt door de haviken die vonden dat Irak nu echt zo snel mogelijk moest worden aangevallen, desnoods zonder bondgenoten. De VS konden het alleen wel af. De steeds gematigder Rice organiseerde het etentje voor drie personen en Powell begon op Bush in te praten. Hij overtuigde de president ervan dat Washington absoluut de steun moest verwerven van zoveel mogelijk bondgenoten. 'Het is aardig om te zeggen dat we het wel unilateraal af kunnen. Probleem is alleen dat het niet kan. Er is een groot verschil tussen iets zeggen en iets doen.' Woodward concludeert dat Bush weer besloot partij te kiezen voor Powell. Eindresultaat: uiteindelijk steunde het hele oorlogskabinet Powells plan en vervolgens keurde de Veiligheidsraad unaniem het Amerikaanse voorstel van onder meer snelle en strenge wapeninspecties goed.

In dit boek spelen Bush, Powell, Tenet en Rice glansrollen. Is het toeval dat uitgerekend zij Woodward de meeste interviews gaven en zelfs notulen van vijftig vergaderingen van de Nationale Veiligheidsraad beschikbaar stelden? Rumsfeld, die in dit boek belachelijk wordt gemaakt als een schietgrage cowboy en die als machoman voor elke vergadering nog even wil worstelen, heeft slechts een enkel interview gegeven. En Cheney, die alleen maar het woord oorlog kan uitspreken, heeft Woodward helemaal niet gesproken.

Woodward mag worden verweten dat hij zijn journalistieke onafhankelijkheid met dit boek definitief kwijt is. Maar omdat niemand zo veel contacten in Washington heeft, is zijn boek als vanzelf belangwekkend. Hij blijft de ultieme Washington-insider. Zijn grootste onthulling is dat de verdeeldheid binnen de regering nog veel groter is dan we al hadden kunnen vermoeden.

Woodward is wel zo overtuigend dat ik van één ding nu nog meer doordrongen ben: als Powell de komende maanden onverhoopt zijn ontslag als minister indient, is een oorlog tegen Irak wel heel dichtbij gekomen.

Bob Woodward: Bush at War

Simon & Schuster € 37,80

Terug

 

Waarom de Verenigde Staten worden gehaat

Sinds de terroristische aanslagen van 11 september worstelen Amerikanen met de vraag waarom zovelen op aarde hun land haten? Veel patriottische Amerikanen zoeken het antwoord louter in de slechtheid van de vijand. Mark Hertsgaard is een progressieve journalist uit San Francisco die o.a. schrijft voor de New Yorker en De Groene Amsterdammer. Hij legt de schuld bij de Amerikanen zelf en probeert zich zoveel mogelijk te verplaatsen in de kritische buitenwereld.

Dat levert een prikkelend, origineel boek op waarbij de lezer als vanzelf betrokken raakt bij de worsteling die de schrijver doormaakt. Want kun je in het huidige gespannen klimaat als Amerikaan nog wel zo'n boek schrijven zonder voor landverrader te worden uitgemaakt?

Hertsgaard wil blijkbaar ook in de Verenigde Staten serieus genomen worden en het is daarom welhaast aandoenlijk om herhaaldelijk te lezen 'dat hij zijn land echt niet haat, nee, toch ook wel bewondert'.

Maar ondanks deze vergoeilijkende zinnen schrijft Hertsgaard vrijwel uitsluitend over de duistere kant ervan: de duizelingwekkende macht, het misbruik wat Washington daarvan maakt en de steeds grotere arrogantie. Hertsgaard heeft veel meer over de aardbol gereisd dan typische plattelands-Amerikanen als Bush en kan zich zo veel beter verplaatsen in de aanmerkingen van buitenlanders aan het adres van Amerika, zo merk je al na een paar regels in zijn boek.

Hertsgaard wijst op de grote internationale solidariteit ten opzichte van zijn land na 11 september. In de International Herald Tribune schreef in die dagen een Amerikaan die in Duitsland woont: 'De uitbarsting van medeleven hier is dramatisch te noemen. Als mensen aan mijn accent horen dat ik een Amerikaan ben, wellen onvermijdelijk tranen in hun ogen op, ze omhelzen me of houden m'n hand vast. Voor mij totale vreemdelingen zeggen opeens: 'Wij zijn nu allemaal Amerikanen'. In ons verdriet moeten we beseffen hoeveel geluk we hebben dat we zoveel vrienden in de wereld hebben.'

Maar Hertsgaard wijst op het 'zelfzuchtige, unilaterale optreden' van de regering-Bush dat na 11 september vrijwel meteen weer werd voortgezet. Op 21 november 2001 eiste Bush in een toespraak voor de Verenigde Naties dat de internationale gemeenschap Amerika zou bijstaan in de strijd tegen het terrorisme, maar op diezelfde dag bleef zijn eigen regering weg bij een conferentie in Marokko ter afronding van het belangrijke Kyoto milieu-protocol. Hertsgaard wijst op de ernstige staat van het milieu. Nu al smelten de gletsjers overal op aarde, stijgt de zeespiegel en komen er steeds vaker steeds zwaardere orkanen voor. De afgelopen eeuw kende een temperatuurstijging van 0,5 procent. Wetenschappers voorspellen eensgezind een temperatuurstijging van 1,5 tot 6 graden in deze eeuw. Toch weigert Bush zich ook maar iets aan te trekken van de broeikaseffecten.

Dit 'egocentrisch' gedrag kan een Amerikaanse regering zich vooral ook permitteren bij gebrek aan een kritische pers. In de weken na 11 september waren de commentaren van de Amerikaanse media nauwelijks te onderscheiden van de officiële regeringsverklaringen uit Washington. Bij Fox Television droegen correspondenten Amerikaanse vlaggetjes. De directeur van CNN gaf zijn journalisten opdracht geen burgerslachtoffers in Afghanistan te melden als niet in dezelfde uitzending werd herinnerd aan de Amerikaanse slachtoffers van 11 september. (Veelzeggend is dat het station die eis niet oplegde aan zijn programma's in het buitenland).

Het viel Hertsgaard op dat zelfs het boulevardblad Bild genuanceerder schreef dan de zogenaamde Amerikaanse kwaliteitskranten met zowel vredelievende als oorlogszuchtige standpunten. Zo citeerde de krant een brief van een Duitse zakenman aan president Bush waarin hij vroeg 'de schuldigen te straffen, niet de onschuldige vrouwen en kinderen in Afghanistan'.

Amerikanen hebben door de slechte scholen en media een eenzijdig en dus simpel wereldbeeld. 'Amerikanen worden er bijvoorbeeld onophoudelijk (en terecht) aan herinnerd dat Saddam Hoessein een slecht mens is, maar niet dat de door de Amerikanen afgedwongen economische sancties tot gevolg hebben gehad dat vanaf 1991 meer dan 350.000 Irakese kinderen zijn omgekomen...' En uit een recent opinieonderzoek van de Universiteit van Maryland blijkt dat slechts 32 procent van de Amerikanen weet dat er bij gevechten meer Palestijnen dan Israëliërs zijn omgekomen.'

Hertsgaard laat in zijn boek ook de gewone mensen aan het woord die hij tijdens zijn wereldreizen heeft ontmoet. Hij dringt door tot de meest eenvoudige grashutjes in Afrika, waar de ouderen nog geheel koken en feestvieren op traditionele wijze, maar de jongeren hem almaar de oren van het hoofd vragen over het vervolg van 'een debiele Hollywoodserie als Baywatch met strandwachten in krappe zwembroekjes en zwempakjes.' En allemaal zijn ze in de ban van het Amerikaanse MTV dat naar eigen zeggen 273,5 miljoen huishoudens op aarde kan bereiken.

Globalisering is in feite amerikanisering met alle verwoestende effecten van dien. Overal in de wereld wordt cultuur vervangen door (Amerikaans) consumentisme. In dit boek zegt de Italiaanse europarlementariër Luciana Castellina: 'Wij Europeanen zijn inmiddels meer vertrouwd met de beelden en gezichten van de Verenigde Staten dan met die van Europa. We herkennen New York en Los Angeles, maar Berlijn of Madrid niet.'

Hertsgaard ziet de 'American way of life' ook snel oprukken in islamitische landen als Egypte waar de staatstelevisie al meer dan dertig procent Amerikaanse programma's uitzendt en het worden er steeds meer. Een Egyptische technicus vertelde hem: 'Jullie hebben de globalisering uitgevonden, jullie cultuur is overal, ook in ons land. Volwassen kinderen hebben tegenwoordig minder met hun ouders te maken, op begrafenissen zie je nog maar half zoveel mensen - de mensen hebben het te druk met hun eigen leven en met geld verdienen. We geven minder om elkaar en meer om ons salaris, onze mobieltjes en onze televisies. Leuk vind ik het niet, maar we beginnen steeds meer op jullie te lijken.'

Indrukwekkend is de ontmoeting met een gids op Mandela's Robbeneiland. Hij had zelf gevangen gezeten en beschrijft in detail de onvoorstelbaar wrede martelingen. Fijntjes wordt de Amerikaanse gast er aan herinnerd dat het onder anderen de huidige Amerikaanse vice-president is geweest die tot het eind het apartheidsregime heeft gesteund. Maar dat verleden van Cheney kennen de meeste Amerikanen natuurlijk niet, zo merkt Hertsgaard op. Hij houdt zijn landgenoten, en de wereld, een spiegel voor. In dit boek oogt het gezicht van Uncle Sam lelijk. Deze persoonlijke analyse is met z'n vrijwel exclusieve accent op de haatvraag dus wel erg eenzijdig maar ook verfrissend in een verstikkende tijd waarin steeds minder mensen durven en/of kunnen schrijven wat ze willen.

Tot slot komt Hertsgaard nog met een waarschuwing voor de nabije toekomst. Sinds het Vietnam-tijdperk stond het Amerikaanse publiek kritisch tegenover buitenlandse militaire avonturen, maar 11 september heeft dat veranderd. Allerlei regeringsfunctionarissen hebben in interviews laten weten dat het Amerikaanse publiek zal accepteren dat er soldaten in de strijd tegen het terrorisme zullen sneuvelen nu Amerika direct is aangevallen. 'De kans op militaire interventie in het buitenland is de komende jaren dan ook groot. En aangezien zulke interventies bij de overlevenden woede jegens de VS zullen wekken, zal ook de kans op terroristische wraakacties groeien. Washington zal zulke wraakacties aangrijpen ter rechtvaardiging van nieuwe interventies en zo zal de vicieuze cirkel maar doorgaan.'

Mark Hertsgaard: De schaduw van de macht. Waarom de rest van de wereld Amerika haat en bewondert

Cossee € 19,90

 

Terug

 

Het geschonden aangezicht van de Verenigde Staten

In 11 september geven Der Spiegel-journalisten een chronologisch relaas vanuit het perspectief van overlevenden, hulpverleners en veiligheidsmensen. In flashbacks wordt de geschiedenis van de daders ontrafeld. De onderzoekers hebben ook gesprekken gevoerd met de FBI, CIA en de Duitse inlichtingendienst.

Het verslag van wat gebeurd is voorafgaand aan de aanslagen, leest als een goede roman. De leider van de kapers, Mohammed Atta, wordt van dag tot dag gevolgd en zo krijgen we een duidelijk inzicht in het meedogenloze en geraffineerde optreden van de kapers.

Atta was begin jaren negentig naar het Westen gegaan om te ondervinden 'hoe die zogenaamde eerste wereld ons ziet en hoe die zich verhoudt tot onze wereld'. Atta ging ontwikkelingsbeleid in Duitsland studeren, maar in werkelijkheid wilde hij zoveel mogelijk van de westerse 'beschaving' leren. In Atta's later teruggevonden zelfmoordhandboek staat zijn conclusie: 'Alle westerse beschavingen die van hun macht genieten, zijn intern zeer zwak.'

Om 7.25 uur op de elfde september lopen Atta en andere samenzweerders naar gate 26 in terminal B van het vliegveld in Boston. Ze zien er keurig uit. In het boekje van Atta staat dat je voor de reis naar God al het overbodige haar van je lichaam moet scheren. 'Parfumeer je lichaam en was je lichaam.' Ook bij een tweede veiligheidscontrole gaan de metaaldetectors niet af. Op de röntgenfoto's van hun tassen is niets te zien wat de bewaking verontrust. Maar zelfs messen met een lemmet van meer dan tien centimeter zijn volgens de toenmalige Amerikaanse voorschriften toegestaan. Ze zijn erdoor. 'Thank you, sir.' De operatie draait. 'Have a good flight.'

Ze wachten nog drie minuten en stappen dan de slurf in naar het toestel. In het boekje van Atta staat ook nog: 'Als je aan je daad begint, sla dan als een held hard toe, want God houdt niet van mensen die begonnen arbeid niet afmaken... sla zeer hard in de nek met het vooruitzicht dat de hemel op je wacht.'

Door de daden van Atta en zijn handlangers zal ook de dag van James Gartenberg, die werkt op de 86ste etage van de Noordtoren van het WTC-gebouw, dramatisch verlopen. Hij is een succesvol zakenman voor een onroerendgoedbedrijf. Elf september is zijn laatste werkdag, want hij is weggekocht door een concurrerend bedrijf. Na de inslag van het vliegtuig zit hij met zijn secretaresse opgesloten in de puinhopen van zijn kantoor. Gartenberg is buiten zinnen. Hij roept tegen haar dat hij de deur naar het trappenhuis niet open krijgt. Alles is versperd door puin. Overal is brand.

Gartenbergs telefoon gaat na een paar minuten over. Het is Adam Goldman, een studievriend van vroeger uit Chicago. Hij heeft op de televisie gezien dat een vliegtuig de Noordtoren is binnengevlogen. 'Adam, er is brand hier op onze verdieping,' roept Gartenberg. 'We zijn ingesloten. Kunnen er niet uit.' Van Goldman hoort hij dat een vliegtuig de schade heeft aangericht. 'Het ziet er op televisie naar uit dat de rook naar boven trekt,' zegt zijn vriend uit Chicago, 'dus je kunt beter naar beneden gaan. Blijf kalm.' 'Ik kan niet kalm blijven, verdomme nog aan toe, Adam. Ik ben bang. Alsjeblieft, haal me hier uit.'

Gartenberg belt nog een collega elders in de stad die onmiddellijk 911 belt. 'Ze halen je eruit James.' Voor even is hij gerustgesteld. Om 8.55 uur komt zijn (zwangere) vrouw Jill aan in haar kantoor in de Upper East Side. Er staat een bericht op haar antwoordapparaat. Het is om 8.46 uur ingesproken en afkomstig van haar man: 'Jill, er is brand op onze verdieping. Ik hou van je Jill. Zeg tegen iedereen dat ik van je hou. Ik weet niet of ik hier uit kom, Jill. Ik hou zo verschrikkelijk veel van je,' hoort ze hem roepen.

Hij heeft nog één keer gebeld. Rustiger. Er is hulp onderweg. Hij vraagt haar naar zijn moeder te gaan, die dichtbij woont. Zijn secretaresse belt haar man op die naar het ABC-nieuws kijkt. Na een paar minuten geeft Gartenberg op dat station vluchtig een telefonisch live-interview. Als zijn vrouw de hoorn heeft neergelegd, hoort hij haar nog op de achtergrond Gartenberg moed inspreken. Een collega had zijn nummer doorgegeven aan de media in de hoop dat zoveel mogelijk reddingswerkers hun verblijfplaats zouden opmerken.

Gartenberg komt kalm over tijdens het interview. Hij zegt dat ze het naar omstandigheden goed maken. Twee keer vermeldt hij waar ze zitten: 'We zijn op de 86ste verdieping, we kijken uit over de East River.' Een kennis belt hem nog om hem te feliciteren met zijn dappere televisieoptreden. Goldman belt weer uit Chicago. 'De rook wordt dichter, Adam,' zegt Gartenberg. Ademhalen wordt moeilijk. Ze dompelen hun jassen in het water en ademen daar doorheen. Er valt puin op hen en ze kruipen met de telefoon onder de receptiebalie.

Gartenberg praat nog een keer met zijn moeder en vrouw. 'Blijf op de grond,' roepen ze. Hij zegt dat dat niet eenvoudig is. Ze willen de steeds dikkere rook ontwijken die onder de deur door het kantoor binnendringt, maar ze willen ook naar de brandweerlieden roepen als die komen. Ze kunnen er immers elk moment zijn. Nog één keer belt Goldman om hem moed in te spreken. Gartenberg huilt inmiddels. 'Ik hou van je,' zegt Gartenberg, 'je bent mijn beste vriend. Ik weet niet of ik hier nog uitkom. Zorg alsjeblieft voor mijn gezin.'

Even later klinken zijn laatste woorden: 'Het is hier nu echt om te stikken.' Om 10.28 uur stort de brandende Noordtoren uiteindelijk in nog geen tien seconden in elkaar.

Het is jammer dat naast deze dramatische verhalen de Duitse journalisten niet nog wat meer speurwerk hebben gedaan over wat in de jaren voorafgaande aan 11 september in Europa is gebeurd. In dit boek ligt het accent wel heel erg op de Verenigde Staten, terwijl we nu weten dat in steden als Hamburg, Madrid en Londen veel voorbereidend werk is gedaan. Van onderzoeksjournalisten van een gerenommeerd Europees kwaliteitsblad verwacht je nieuws. Nu presenteren ze louter een goed gedocumenteerd tijdsdocument.

Over de gevolgen van 11 september zwijgen de Duitse journalisten helemaal. De Amerikaanse buitenlandspecialiste Phyllis Bennis, werkzaam aan het Institute for Policy Studies in Washington, wijdt er een hele studie aan. Ze richt zich volledig op de buitenlands-politieke gevolgen. Zij probeert haar medeburgers een spiegel voor te houden. 'Waarom haten ze ons zo?', vroegen veel Amerikanen zich af in de eerste uren na de aanslagen. Bennis wijst erop dat de Verenigde Staten in tweehonderd jaar nog nooit bezet zijn geweest en dat er een soort roes van onoverwinnelijkheid over het land is gekomen. Als je haar boek leest, krijg je de indruk dat 'keizer George' de wereld werkelijk als een dictator bestuurt. Als een moderne Romeinse imperator die naar believen iedereen beveelt.

De macht van de Verenigde Staten is in militair-strategische zin duizelingwekkend en wordt door Bush zeer misbruikt. Alleen al het bedrag van 48 miljard dollar dat Bush in januari dit jaar extra vroeg aan het Congres is meer dan elk ander land op aarde in totaal kan besteden aan defensie.

Amerikanen krijgen een kinderlijk beeld van de wereld voorgeschoteld. Amerikaanse media bezuinigen steeds meer op buitenlandredacties. De Verenigde Staten zijn goed, en dat beeld moet over de wereld worden uitgedragen.

Bennis beschrijft gedetailleerd hoe de rest van de wereld in een handomdraai danste naar het pijpen van de Verenigde Staten. De NAVO toonde grote solidariteit door voor het eerst het wederzijdse hulpartikel vijf in te roepen. De NAVO-partners kregen bij de Amerikaanse 'war on terrorism' echter geen enkele inspraak. Ze mochten een boodschappenlijstje indienen waaruit de Amerikanen zelf wilden kiezen zoals hier en daar wat wapensteun en gebruikmaking van een enkele basis.

De echt belangrijke landen lagen in Azië en daar beheersten de Amerikanen al gauw het toneel. Pakistan en India, tot 11 september nog onder het juk van Amerikaanse sancties vanwege hun nucleaire programma's, kregen plotseling financiële steun en vooral Pakistan ontving meteen een flink pakket aan geavanceerde wapens. Oezbekistan, strategisch grenzend aan Afghanistan, werd niet meer gekritiseerd vanwege de meest grove mensenrechtenschendingen, maar was opeens een 'trouwe vriend van Amerika'. Andere landen liepen al eerder aan de leiband van de Verenigde Staten: Saoedi-Arabië krijgt veel militaire steun, Jordanië economische en Egypte een combinatie van beide.

Bennis schildert een wereldbeeld dat op één groot zwart-witdoek kan worden geprojecteerd: de satan is Bin Laden en als hij maar niet gevonden wordt, is Saddam Hoessein een goede vervanger, hoewel geen bewijzen zijn getoond aan de wereld van Iraakse betrokkenheid bij 11 september. Vrijwel alle terroristische groeperingen, van de Tsjetsjeense terroristen tot en met de PLO blijken onder één hoedje te spelen met al-Qaeda, dat opeens een wereldomspannend netwerk blijkt te zijn.

Natuurlijk zijn de Amerikanen, zoals in een oude western, de 'good guys'. Bennis noemt ze liever hypocriet, omdat bijvoorbeeld Washington eist dat Saddam Hoessein stopt met zijn biologische- en chemischewapenprogramma's terwijl de Amerikanen nummer één op dit gebied zijn en zelf ook geen inspecteurs willen toelaten. 'We gebruiken dezelfde argumenten als de Irakezen, namelijk dat het spul voor geneeskundig onderzoek in laboratoria wordt gebruikt.'

Het boek van Bennis is eenzijdig in de kritiek op de Verenigde Staten. Na het lezen van haar boek zou je bijna gaan denken dat de Amerikaanse regering om haar geheime binnen- en buitenlandse veiligheidsagenda te effectueren, de aanslagen op 11 september zelf heeft gepleegd of op z'n minst heeft toegejuicht.

Maar het is te midden van de golf van patriottisme die de wereld overspoelt wel verfrissend een dergelijk, ook deskundig, tegengeluid te horen.

11 september. De aanval, de mensen, hun verhaal

Door onderzoeksjournalisten van Der Spiegel,

Het Spectrum € 18,50

 

Terug

 

De succesformule voor iedere politicus  

Dick Morris is een van Amerika's briljantste politieke strategen. 'Ik ben niet zozeer een tacticus. Ik ben meer van het type dat ver vooruit kijkt maar dat struikelt over de stoelen die voor m'n neus staan,' bekent hij in zijn nieuwe boek waarin hij een succesformule voor politieke leiders probeert te ontwikkelen. Daartoe bestudeert Morris de succesvolle carrières van onder anderen Ronald Reagan, Winston Churchill, Franklin Roosevelt, Junichiro Koizumi en Tony Blair, maar ook die van 'losers' als Lyndon Johnson en Al Gore. Morris gedraagt zich in Power Plays als een scherpzinnig historicus die een neusje heeft voor politieke parallellen in de geschiedenis. 'De eerste les voor een onzekere, beginnende politieke leider is te beseffen dat zovelen in dezelfde schoenen hebben gestaan en dat ze vaak dezelfde uitdagingen hadden. Economische tegenwind of een buitenlands conflict. Je kunt daar ongelooflijk veel van leren.'

Morris heeft een ruime ervaring opgedaan als adviseur van linkse en rechtse politici als George McGovern, Jacques Chirac, Bill Clinton en Jesse Helms. Tijdens de laatste Nederlandse verkiezingsstrijd heb ik menigmaal gedacht dat als onze verliezers Hans Dijkstal en Ad Melkert Morris bij hun campagnes betrokken hadden, de uitslag op 15 mei wel eens heel anders had kunnen zijn. Tot zoiets is Morris absoluut in staat! En een nieuwe politieke leider als Jan Peter Balkenende zou er zijn voordeel mee kunnen doen.

Ook in dit boek laat Morris zien hoe hij Bill Clinton heeft onderwezen in het trianguleren: een politicus creëert een derde positie, niet precies tussen de oude partijen maar als een vaderfiguur er juist boven. Zo redde hij in de campagne van 1996 de linkse 'liberal' Clinton, wiens presidentschap aanvankelijk totaal mislukt leek. 'Neem het voorbeeld van de belastingen. Democraten zeggen in het algemeen nee tegen belastingverlagingen. Republikeinen zijn er juist voor. Wij moeten zeggen dat we alleen belastingverlagingen willen als de burger verantwoord maatschappelijk gedrag vertoont, dus bijvoorbeeld het geld gebruikt voor kinderopvang, naar college gaan, de koop van een huis of sparen voor later.'

Natuurlijk is charisma voor politici mooi meegenomen, maar volgens Morris geven issues uiteindelijk de doorslag. 'Ik denk dat Amerika verliefd werd op zijn politici in de jaren vijftig en zestig toen we ze voor het eerst op televisie zagen. Eisenhower was een vaderfiguur, Kennedy was knap; Johnson was onze oom, Nixon de herkenbare jongen van het kleinsteedse Amerika. Wij waren onnozel, wisten niks en onze helden konden niets verkeerds doen. Daarna kwamen Vietnam, Watergate en de omkoopschandalen van de jaren zeventig. We raakten vervreemd van onze politici. Het was als een scheiding. We hadden ons lesje geleerd. In deze tijd willen we gewoon weten waar een kandidaat voor staat. Vertel ons niet verliefd op je te worden; vertel gewoon waar je staat als politicus. Dan zullen we op je stemmen totdat je ons weer belazert.'

In zijn boeiende studie toont Morris aan dat het cynisme onder het electoraat een internationaal fenomeen is. In veel landen (waaronder Nederland!) bestaat de grootste kiezersgroep inmiddels uit onafhankelijken die nu weer eens op de ene en dan weer eens op de andere partij stemmen. Met Amerikaanse campagnetechnieken en middelen zoals constante opiniepeilingen, de inzet van spindoctors en een overvloedig gebruik aan sound bites en infocommercials zijn ze gemakkelijk te verleiden.

Morris beschrijft hoe de beginnende Blair door naar het midden te trianguleren Labour bevrijdde van de enorme invloed van de vakbonden en zo onweerstaanbaar werd voor de overgrote meerderheid van de bevolking. Blair begreep daarbij dat hij weliswaar de invloed van de machtige bazen van de vakbonden moest beperken, maar dat hij hen bij de verkiezingen binnen Labour nog wel een behoorlijke stem moest gunnen. Bij andere partijen zouden ze die invloed nooit kunnen krijgen. Blair heeft bij zijn verkiezingsuitslagen altijd de meeste stemmen van vakbondsleden gekregen, hoewel zijn beleid eigenlijk ronduit antivakbond was.

Volgens Morris moet een moderne politicus de populaire, inhoudelijke thema's van zijn tegenstanders inpikken, zoals Clinton bijvoorbeeld deed met zijn drastische kortingen op de 'eeuwige' bijstand. Maar daarnaast moeten er voor de broodnodige herkenbaarheid een paar 'core-issues' overblijven voor de traditionele aanhang. Zo is Clinton altijd pro-abortus geweest en stond hij pal voor de rechten van zwarten en homo's.

In feite nodigt Morris met zijn adviezen uit tot een non-ideologische realpolitiek. (Toen Hillary Clinton een paar jaar geleden in opspraak raakte vanwege vermeende gesprekken met overledenen, grapte ze toen ze Morris voor het eerst weer zag: 'Dick, zal ik voor jou Machiavelli even oproepen?').

In Power Plays lijkt Morris deels echter ook weer afstand te willen nemen van dit harde, rücksichtloze imago, want hij presenteert ook nog een tweede succesformule voor politiek leiderschap. Hij beschrijft een leiderstype die het wantrouwen onder de burger doorbreekt door consequent een eerlijke boodschap uit te dragen. Ronald Reagan is dan zijn grote voorbeeld. In een langdurige politieke loopbaan vertelde deze ultraconservatief in feite steeds hetzelfde: verlaag de belastingen, ontmantel de bureaucratie en vernietig het goddeloze communisme. 'Er zijn tijden waarin zo'n politicus steeds verketterd wordt, maar net als een vuurtoren, die als je in de donkerte maar rechtop blijft staan eens met zijn lichtbundels op je schijnt, zal de almaar veranderende tijdgeest ooit rijp zijn voor het duidelijk uitgesproken politiek standpunt.' Geduld hebben, standvastig blijven. Daar gaat het dan om. De kiezer zal een rotsvast vertrouwen hebben in zo'n politieke leider 'die het altijd al gezegd heeft'.

Morris schrijft ook nog even over het Amerika van na 11 september. Tot nu toe vindt hij dat Bush het goed doet. Vanaf de eerste dag begreep Bush dat het om een wending in de geschiedenis van Amerika en de wereld ging. Net als Roosevelt en Churchill heeft Bush meteen verteld dat de nieuwe oorlog tegen het terrorisme 'bloed, zweet en tranen' zal kosten en dat die heel lang zal duren. Mensen staan achter Bush omdat hij er geen doekjes om windt. Daarmee heeft Bush direct contact met de mensen. Ze geloven hem.

Hoe anders dan in de Vietnam-tijd toen president Johnson alles maar bagatelliseerde, loog over de hoeveelheid Amerikaanse slachtoffers en steeds maar weer vertelde over de naderende Amerikaanse overwinning. Types als Roosevelt, Churchill en Bush spraken juist over de grote offers die de burgers moeten brengen en appelleerden daarmee ook aan een soort van nationaal gevoel, waardoor ze nog populairder werden.

Diezelfde eerlijkheid miste Morris bij Al Gore in de laatste verkiezingscampagne. Nog nooit is er in de Amerikaanse geschiedenis een politicus geweest die zo opkwam voor het milieu, aldus Morris. Met zijn boek Earth in the Balance presenteerde Gore zich ronduit als een radicale milieuactivist. Hij voorspelde zelfs een naderende milieuholocaust. Maar in de campagne van 2000 sprak Gore er nauwelijks over, terwijl gouverneur Bush juist jarenlang een asociale vervuilingspolitiek in Texas had gevoerd. Door het zwijgen van Gore kon de Groene Partij van Ralph Nader opkomen. Morris is er terecht van overtuigd dat Gore door met name in een natuurstaat als Florida te spreken over het milieu, veel stemmen had kunnen winnen die nu naar Nader gingen. 'Moet je nagaan, Gore zwijgt over het milieu in de staat met de prachtige witte stranden en de unieke Everglades die worden bedreigd door een razendsnel oprukkende verontreiniging.'

Als adviseur van Gore zou Morris het trianguleren zeker hebben aangeraden en dan zou dus het milieuthema een van die core-issues zijn geworden. Niet Bush maar Gore zou dan nu president zijn. Daar ben ik ook wel van overtuigd.

Maar juist dit boek met z'n nadruk op machiavellistische machtspolitiek en anderzijds toch ook een hoge moraliteit, laat zien dat een politicus uiteindelijk zelf de keuze moet maken tussen deze twee uitersten. Deze studie over macht en idealen is in essentie dus tweeslachtig. Maar de vele inzichten van Morris zijn zo interessant en vaak ook zo baanbrekend dat dit boek een absolute must is voor iedere student van de (inter)nationale politiek.

Dick Morris: Power Plays. Win or lose how history's great political leaders play the game

Regan Books/Harper Collins € 35.29

Terug

 

Bill, de raadselachtige

Het is nog te vroeg voor een echte, goed gedocumenteerde terugblik op de regeerperiode van Bill Clinton: de meest raadselachtige president uit de moderne Amerikaanse geschiedenis.

Er zijn zoveel vragen. Een paar voorbeelden. Hoe kon een superintelligente politicus zijn presidentschap op het spel zetten voor een slippertje met een ordinaire, behaagzieke stagiaire? Clinton wist dat de rabiate ultraconservatieve rechtervleugel van de Republikeinen vanaf dag één op zijn totale vernietiging uit was. Hoe kon een gematigde Democraat als de gewiekste Clinton notabene in zijn eerste jaar een groots bureaucratisch plan toevertrouwen aan zijn doctrinaire, linkse echtgenote die het meteen door de strot van het Congres probeerde te duwen? Hoe kon een president die uiteindelijk ook zelf toegaf meineed gepleegd te hebben (waardoor hij zijn licentie in de advocatuur kwijtraakte) tot zijn laatste dag in het Witte Huis toch zo hoog blijven scoren in de opiniepeilingen?

Journalist Joe Klein is bij uitstek geschikt om wel een eerste aanzet tot terugblikken te geven. Hij was eerder de auteur van het fictieve, geruchtmakende Anonymous dat een uniek kijkje in Clintons-campagnekeuken gaf. In zijn nieuwe boek, dat rijk is aan anekdotes laat hij nogmaals zien een uitstekend Clinton-kenner te zijn.

De antwoorden op die vele vragen zijn vaak te herleiden tot de titel van Kleins boek. In zijn pogingen Clinton te doorgronden stuitte Klein op een citaat over de negentiende-eeuwse filosoof William James: 'Hij was zo buitengewoon natuurlijk dat je eigenlijk nooit kon weten wat zijn werkelijke natuur was...'.

Als Clinton ergens binnen kwam, gebeurde er iets. Eenvoud en glamour, misschien was dat wel de betoverende cocktail van 'Elvis', zoals hij door zijn staf werd genoemd. Waar hij optrad, verspreidde hij plezier in de politiek. Hij kwam zo spontaan over, terwijl aan de andere kant iedere lettergreep die hij uitsprak door opiniepeilers van tevoren was uitgetest. Hij was oprecht geraakt door de gewone mensen die hij overal ontmoette. Tot grote onvrede van zijn staf luisterde hij urenlang naar hun verhalen. En nooit, maar dan ook nooit, vergat hij hun naam.

Voor zijn tegenstanders was Clinton als gelei op de muur. In al die tumultueuze jaren hebben ze hem nooit echt onderuit kunnen halen. Clintons charme was overweldigend. Zelfs zijn grootste tegenstander, Newt Gingrich, was er diep van onder de indruk.

En ook Klein, die Clinton vanwege zijn schandalen immoreel noemt, maar die toch een haat-liefde verhouding met hem heeft. Altijd was deze Newsweek-journalist met Clinton op pad tijdens de campagnes. Uit schuldgevoel nam hij zijn dochtertje een keer mee. Clinton liep meteen op hen af en legde zijn arm om de kleine meid. 'Je zal je pappie heel lang gemist hebben de afgelopen maanden. Dat kwam door mij. Maar één ding moet je weten. Hij had het ALTIJD over jou!'

Klein had ook nog een andere, bizarre Clinton-ervaring. Op een avond tijdens zo'n drukke verkiezingsstrijd kreeg hij een telefoontje van de president. Hij nodigde hem uit met z'n tweeën te gaan bowlen. Toen de ballen langzaam terugrolden, kwam Clinton als vanzelf heel dichtbij hem staan. 'Dit is een man die tot in het extreme behoefte heeft aan menselijk contact,' concludeert Klein. Clinton was de ultieme 'people's president' die een welhaast vleselijke band met zijn volk had. Een kampioen-handjesschudder ook.

Op politiek-ideologisch gebied geeft Klein toe ook een gematigde Nieuwe Democraat te zijn. Maar in dit boek ontsnapt Clinton, die in de tachtigerjaren toch de eerste officiële leider van die club was, ook uit dat hokje. Clinton kon je van het ene op het andere moment op het verkeerde been zetten.

Kleins boek wil aantonen dat draaikont 'Slick Willie' wel degelijk politieke moed en een eigen visie had. Zijn grote ideaal was om het land van het Industriële Tijdperk het Informatie Tijdperk in te leiden. Hij wilde een progressief doel met conservatieve middelen bereiken. Het begrotingsoverschot spendeerde hij niet, zoals zijn Democratische achterban van nature wilde, aan dure overheidsprogramma's, maar aan gerichte belasting-verlagingen. Zo wijst Klein op het grote succes van het 'Head Start-programma', wat in feite indirecte overheidsstudiebeurzen waren om te studeren. 10 miljoen kinderen uit arme gezinnen studeren nu aan de universiteit dankzij Clinton en dat is één van de grootste binnenlandse prestaties van na de Tweede Wereldoorlog, zo concludeert Klein. Clinton had ook de politieke moed om als Democraat in te grijpen in de generaties durende 'bijstandsverslaving'. De werkloosheid verdween en Clinton werd de held van zwart Amerika.

Op buitenlands terrein besloot Clinton tegen een meerderheid van het Congres en de Amerikaanse bevolking om uiteindelijk toch in te grijpen op de Balkan. Dat zou Bush nooit gedaan hebben.

Dergelijke observaties maken het mysterie-Clinton er eigenlijk alleen maar groter op. Hij was een pragmaticus èn ook een idealist. Maar een biograaf of Clinton-watcher hoeft ook niet op alles een antwoord te geven. Belangrijker is dat Klein Clinton met de pen raakt en hem daardoor dichterbij brengt.

Net als Klein wijst ook David Maraniss, misschien wel de grootste Clinton-kenner van Amerika, op dat dubbele in het karakter van Clinton. Maraniss is ervan overtuigd dat Clinton vanuit een oprecht schuldbesef leeft. Hij richt zich altijd op zijn geloof en is als Zuidelijke Baptist voortdurend op zoek naar verlossing. 'Dat is heel belangrijk bij Clinton. Zijn duistere en goede kanten zijn niet te scheiden. Ze maken deel uit van dezelfde mens. Onoprechte en oprechte momenten wisselen elkaar af. Hij is niet het een of het ander. Hij is een complexe persoonlijkheid.'

Tot slot kijkt Klein ook nog even in de toekomst. Clinton had zo graag een nieuwe Roosevelt of Kennedy willen zijn, maar tijdens zijn jaren van welvaart en (relatieve) vrede vonden geen echt dramatische gebeurtenissen plaats. Klein suggereert dat Clinton in zekere zin jaloers is op de jonge Bush, omdat de huidige president met zijn '11 september moment' en de daaruit voortvloeiende oorlog tegen het terrorisme wel een historische kans heeft gekregen.

Het is dus veelzeggend en misschien zelfs wel een beetje kinderachtig dat Clinton onlangs in een Newsweek-interview uitriep dat we met die 'War on Terrorism' niet moeten overdrijven en dat een vergelijking met de Tweede Wereldoorlog absoluut niet op z'n plaats is.

Clinton is en blijft voer voor veel historici maar zeker ook voor psychologen. Clinton had zo graag ook nu nog president willen zijn. En één ding is zeker: als het Amerikaanse volk had mogen kiezen had hij Bush met gemak verslagen. Als je alle plussen en minnen in Kleins boek bij elkaar optelt, ontkom je niet aan de conclusie dat het jammer is dat de Amerikaanse grondwet zo'n mogelijkheid niet toestaat.

Joe Klein: The Natural.

The Misunderstood Presidency of Bill Clinton

Doubleday  American Book Center.

 

Terug

 

Pappen en nathouden van Bush in Midden-Oosten funest

GEORGE W. BUSH stuurt Colin Powell naar het Midden-Oosten en de wereld juicht. Maar waarom? De reis is slechts een gebaar waarmee Bush goodwill hoopt te kweken bij de vele critici die hem met recht extreme passiviteit verwijten. Bush voert immers al sinds de eerste dag van zijn presidentschap een politiek van laissez-faire met betrekking tot het Israëlisch-Palestijnse probleem. Want hier staan geen twee kernmachten tegenover elkaar en schendingen van de mensenrechten in verre oorden vallen buiten de machtspolitieke kaders van deze regering.

Bush was liefst een op het binnenland gerichte plattelandspresident gebleven en tot 11 september leek hem dat ook te lukken. Maar door de aanslagen op New York en Washington werd hij letterlijk door het buitenland overvallen.

Het Palestijns-Israëlische probleem werd daardoor in eerste instantie verder gemarginaliseerd, want de driehoek waarop de Amerikaanse buitenlandse politiek zich nu steeds meer richtte, werd gevormd door Pakistan, India en Saoedi-Arabië. Hier staan wel kernmachten tegenover elkaar en liggen directe Amerikaanse belangen.

Na veertien maanden Bush moet de conclusie luiden dat de VS zich de regie in de oplossing van het Israëlisch-Palestijnse probleem bewust hebben laten ontglippen. Ook nu nog communiceert Bush niet direct met Ariel Sharon of Jasser Arafat; hij laat dit over aan zijn louter als klankbord functionerende gezant, generaal Anthony Zinni. Bush doet aan pappen en nathouden. Nu eens wordt de een, dan weer eens de ander veroordeeld, waarbij Bush vooral de laatste weken sterk overhelt naar kritiek op Arafat.

Washington bewees zijn ongeloofwaardigheid al eerder door wel formeel in te stemmen met een VN-resolutie die Israël gebiedt troepen terug te trekken uit Ramallah maar direct daarna Sharon openlijk het groene licht te geven om verder de Palestijnse gebieden in te trekken. Bush steunde Sharon ook in diens eis van een langere periode zonder aanslagen, terwijl omgekeerd van Sharon niet werd geëist onmiddellijk zijn nederzettingenpolitiek te stoppen. 'Land in ruil voor vrede en veiligheid', ja, maar in feite kreeg Sharon daarbij carte blanche, terwijl Arafat geen enkele toezegging werd gedaan. Bush heeft weliswaar het bestaan van een Palestijnse staat erkend, maar over hoe die eruit moet zien, zwijgt hij vooral.

Van Bill Clinton is bekend dat hij zich zo in de materie had verdiept dat hij bij wijze van spreken elke straat in Jeruzalem kende. Bush zou in die stad verdwalen. Toch blijven de VS bij uitstek geschikt als arbiter op te treden. Om te beginnen is er de speciale relatie met Israël, die lange tijd een meer spiritueel-religieus karakter had. De kolonisten die zich hadden ontworsteld aan het Britse monarchale gezag, identificeerden zich met de strijd die de joden in de oudheid hadden gevoerd tegen de Egyptenaren. President Woodrow Wilson zag in die rebellie 'een heilig precedent voor een pure democratie die zich onderscheidde van de monarchie, de aristocratie en andere vormen van overheidsdwang'.

Na de Tweede Wereldooorlog, en vooral tijdens de Koude Oorlog, kreeg die speciale relatie ook een sterk politiek en militair karakter. Israel was in het Midden-Oosten het enige land waarop de Amerikanen konden vertrouwen. Vanaf president John F. Kennedy kwam er grootschalige militaire steun en in 1987 verklaarde het Amerikaanse Congres Israel officieel tot 'belangrijke niet-Navo-bondgenoot' . Onder Ronald Reagan kwam er een hotline tussen het Pentagon en het Israelische ministerie van Defensie en diepgaande samenwerking tussen vrijwel alle overheidsdiensten. In meerdere opzichten is het geisoleerde Israel de 51ste staat van de VS, maar daarmee ook met handen en voeten gebonden aan Washington.

Maar ook met delen van de Arabische wereld hebben de VS een bijzondere relatie. Die dateert van net na de Eerste Wereldoorlog, toen op basis van Wilsons zelfbeschikkingsrecht Arabische volken een eigen staat kregen. De Amerikanen hadden een sterke positie in Egypte en bevriende regeringen in Irak en Jordanie. In de Tweede Wereldoorlog hadden de Amerikanen veertigduizend militairen in Iran, waar later de pro-westerse sjah aan de macht kwam.

Washington heeft altijd veel belang gehecht aan de oliebelangen in de regio en er zijn tijden geweest dat tegenover Israël daarom een afwachtende houding werd ingenomen. Elf minuten na de uitroeping van de joodse staat in 1948 werd het land erkend door Washington, maar het kreeg geen wapensteun toen de Arabieren aanvielen. En in 1956, tijdens de Suez-crisis, weigerde president Dwight Eisenhower Israël, Engeland en Frankrijk militair te steunen, omdat hij het plan het strategische kanaal te beheersen een 'staaltje van neokolonialisme' vond. Groot-Brittannië werd zelfs gedreigd met een olieboycot. De Eisenhower-doctrine verklaarde dat elk Arabisch land dat door het communisme werd bedreigd, op Amerikaanse wapensteun kon rekenen.

In 2002 worden de Amerikaanse belangen vooral gezien door de bril van het antiterrorisme en dat betekent dat een eventuele oorlog tegen Irak zo breed mogelijke steun moet krijgen van Arabische landen die opkomen voor de Palestijnse zaak. Tegelijkertijd staat de publieke opinie in de VS in meerderheid achter Israël. Dat plaatst Bush in een moeilijk parket.

Toch kan de patstelling in het Midden-Oosten alleen worden doorbroken als juist de Amerikaanse regering op het hoogste niveau intervenieert en werkt aan een voor alle partijen bevredigend compromis dat moet worden geïmplementeerd onder het toezichtende oog van zeker ook Amerikaanse vredessoldaten. Dat vereist politieke moed en uiteindelijk staatsmanschap - en juist dat laatste lijkt te veel gevraagd van het Washington onder Bush.

 

Terug

 

De Verenigde Staten volgens Van Rossem

Op de achterflap van het nieuwe boek van Maarten van Rossem staat een storende fout. Dit verbeterde, uitgebreide en geactualiseerde overzicht van de geschiedenis van de Verenigde Staten, dat oorspronkelijk in 1984 werd geschreven, wordt daarop gepresenteerd als een handboek. Dat is onzin, want dan verwacht de lezer een behoorlijke distantie van de schrijver en dat is een eis die je aan deze schrijver onmogelijk kunt stellen.

De kracht van dit boek is juist dat de Utrechtse historicus bij iedere historische ontwikkeling die hij gedetailleerd beschrijft steeds weer even persoonlijk om de hoek komt kijken. Het boek krijgt daardoor een extra dimensie. Van Rossem is vrijwel altijd origineel zodat het lezen geen moment verveelt.

Op televisie toont van Rossem 'avond-in avond-uit' zijn veelzijdigheid door te oreren over zowat ieder onderwerp dat op verjaardagspartijtjes of tijdens de borrel ter sprake komt. Misschien wekt deze allesweter daarmee wel eens wrevel op, maar in dit boek houdt de schoenmaker zich bij zijn leest en etaleert hij uitgebreid zijn grote kennis ten aanzien van politieke en militaire krachtsverhoudingen. En daarnaast behandelt van Rossem ook nog eens de sociale en intellectuele geschiedenis van de Verenigde Staten. Zelfs een uitvoerige beschouwing over de opkomst van de automobiel, 'automobolitis'!, schuwt van Rossem niet.

Wie ook maar iets met de Verenigde Staten heeft, moet van Rossems boek lezen. Het meest onder de indruk was ik van de beschouwing over 'schuinsmarcheerder' Clinton. Van Rossem heeft hem in de smiezen en geeft een haarscherpe analyse van het wonderkind uit Arkansas dat 'geen groot president was, maar wel een briljant politicus'.

Clinton heeft in zijn presidentschap een ware metamorfose ondergaan. Na twee jaar was hij door de deskundigen al collectief politiek dood verklaard.

Met zijn mooie plannen ter herstructurering van de gezondheidszorg bouwde Clinton voort op plannen van grote Democratische voorgangers als Franklin Roosevelt, Harry Truman en Lyndon Johnson. Het ging uit van twee basisprincipes: de verzekering van alle onverzekerden (30 miljoen Amerikanen!) en de beheersing van de kosten van het systeem.

Van Rossem wijst er op dat de complexiteit van de goed bedoelde plannen ervoor zorgde dat veel (met name televisie)journalisten er geen belangstelling voor hadden. Het was te abstract. Je kon er geen sfeervolle verhalen van maken. 'Het gebrek aan helderheid en precisie in de berichtgeving over het plan gaf de tegenstanders de kans het plan verdacht te maken met allerlei simplistische retoriek...' De conservatieve Republikeinen, die de belangen vertegenwoordigden van de 'medische industrie' voerden weer eens het spook van 'Big Government' op en zo verdween 'het belangrijkste voorstel sinds de New Deal' uiteindelijk vlotjes van tafel.

Toch noemt Van Rossem Clintons wetgevende prestaties 'aanzienlijk'. Hij roemt vooral ook diens economische beleid. Bij zijn aantreden was gebleken dat het begrotingstekort veel groter was dan de regeringsploeg van Bush 1 had verteld. Clinton had de politieke moed om een belastingverlaging voor de middenklasse in de ijskast te zetten en aangekondigde publieke investeringen in bijvoorbeeld het onderwijs aanzienlijk te verminderen. In vijf jaar tijd zou het begrotingstekort gehalveerd worden. Met zijn economische successen werd Clinton de kampioen van het politieke centrum en die positie heeft Clinton nooit meer prijs gegeven. 'Het was zonder meer de indrukwekkendste comeback uit de recente Amerikaanse geschiedenis.'

Tussen de regels door proef je meteen dat Clinton een president naar Van Rossems hart was: een heerlijke, chaotische intellectueel die bij iedere afspraak altijd te laat kwam omdat vergaderingen met hem altijd uitliepen. Clinton had een fabelachtige dossierkennis, was overal in geinteresseerd en wilde met iedereen discussieren. Dat duurde vaak tot midden in de nacht want Clinton had van zijn geschiedenisleraar ooit gehoord dat de werkelijke groten der aarde slechts met een paar uurtjes slaap genoegen namen.

Het Lewinsky-schandaal was weliswaar een klein vlekje op zijn blazoen maar moet toch vooral worden beschouwd als een 'heksenjacht' waar de media en de hypocriete, conservatieve Republikeinen schuldig aan waren. Neem de Republikeinse meerderheidsleider in de Senaat, Trent Lott, die ooit fel tegen de afzettingsprocedure van Nixon was geweest ten tijde van Watergate. Nu stemde hij voor een Clinton-impeachment. Dit had alleen maar te maken met ordinaire macht en een maximale Clinton-beschadiging en niets met hoge principes. Gelukkig heeft de Amerikaanse kiezer zich er nooit wat van aangetrokken getuige de voortdurende, ongekende populariteit van Clinton.

Ook op Clintons buitenlandse politiek hadden de Republikeinen veel kritiek. Hij zou na afloop van de Koude Oorlog geen raamwerk voor een nieuwe Amerikaanse buitenlandse politiek hebben ontworpen en daarmee een unieke kans hebben laten liggen. Maar daar staat tegenover dat Clinton geen 'Rooseveltian Moment' heeft gekend, bijvoorbeeld een wereldoorlog, om zijn historisch formaat te tonen. Clinton was vooral een pragmaticus gebleken, ook op buitenlands politiek terrein.

De macht van een president was gedurende decennia flink afgebrokkeld. De partijen hadden veel van hun kracht verloren. Als hij van zijn partij steun kreeg, stelde zij niet veel voor. Het Congres was sinds de jaren zestig veel assertiever geworden. Steeds vaker had de Amerikaanse president te maken met een Congres dat deels of geheel in handen was van de andere partij. In Washington had het intellectuele establishment van vele duizenden ambtenaren, lobbyisten, journalisten en deskundigen zich steeds meer ingegraven. De macht van de overheid was versnipperd geraakt.

Clinton was in dit bizarre klimaat de grote meester van de permanente campagne en de permanente onderzoeken die het mogelijk maakten het beleid nauwkeurig af te stemmen op de wensen van de zwevende kiezers in het centrum, die in vrijwel elke democratie beslissen over het lot van een politiek leider. Wat is daar mis mee? lijkt van Rossem zich af te vragen. Idealen zijn mooi, 'maar waar de politieke ruimte ontbreekt kan nu eenmaal geen krachtdadige leiding worden gegeven', zo concludeert hij nuchter. Clintons opvolger Bush doet in feite niets anders.

Van Rossem houdt zich ook nog even bezig met de wonderlijke campagne van 2000 en stelt vast dat het moderne, kosmopolitische en naar buiten gerichte Amerika stemde op Gore en het conservatieve, provincialistische en naar binnen gerichte Amerika op Bush. De blanke mannen stemden in aanzienlijke meerderheid op Bush, de zwarte kiezers en een ruime meerderheid onder de vrouwen op Gore. In de staat New York kreeg Gore zo'n zeventig procent van de stemmen, in de aardappelstaat Idaho scoorde Bush een zelfde percentage.

Er zijn dus twee Amerika's. Maar dat gaat veranderen. Volgens de census van 2000 kent Idaho de snelste procentuele bevolkingsgroei van alle Amerikaanse staten. Een vergelijkbare enorme groei doet zich voor in andere 'lege' staten. Het zijn de blanken uit de grote Amerikaanse middenklasse die de rust van het platteland zoeken. 'Dit collectieve verlangen zal op termijn een eind maken aan het laatste echte platteland in de Verenigde Staten en een continentaal exurbia creëren, waarin de nog bestaande culturele verschillen grotendeels verdwenen zullen zijn.' De conclusie kan dan niet anders zijn dat in de toekomst een nieuwe 'Clinton' het land gaat leiden en dat het presidentstype 'Bush' op den duur zal uitsterven.

Maarten van Rossem: De Verenigde Staten in de twintigste eeuw.

Sdu Uitgevers

Terug