2001

2008 2007 200620052004 20032002200019991998199719961995199419931992

 

 

Antrax is de love-baby van het bio-terrorisme Miller,Engelberg,Broad - Germs. Biologi-cal Weapons and America's Secret War 01-11-2001
Afscheid van Amerika A.Lammers - Adieu Amerika 15-11-2001
George Bush kan zijn ranch in Texas voorlopig wel vergeten      12-09-2001
Van woestenij tot metafoor Francis Parkman-Het Pad naar Oregon 06-09-2001
Las Vegas, hoofdstad van Amerika S.Denton, R.Morris -The Money and The Power 30-08-2001
Hoe de Bushies Bush in het zadel hielpen 'Deadlock. The Inside Story Of America's Closest Election' 19-07-2001
Tegen het grootkapitaal W.Hutton, A. Giddens: On the Edge. Living with Global Capitalism 26-04-2001
Zwijgen als wapen Warren Christopher, Chances of a lifetime, a memoir 14-04-2001
Clinton moet Congres nog zijn laatste flater uitleggen   28-02-2001
Bush verdient wantrouwen   22-01-2001

 

Antrax is de love-baby van het bio-terrorisme

De inkt van dit boek was nog maar net opgedroogd toen de eerste antrax-brieven neerdwarrelden op Amerika. Een van de auteurs, Judith Miller, werd ook zelf getrakteerd op zo'n besmet epistel. Hoe cynisch, want juist antrax is een van 'de sporen' die door het hele boek lopen.

Antrax is al tientallen jaren 'de love-baby' van de bio-terroristen: niet al te duur, vrij gemakkelijk te maken en uiterst effectief. De besmetting van de antrax-bacillen geven in eerste instantie griepverschijnselen maar uiteindelijk ontstaat een miltvuur dat, als het niet gauw wordt behandeld met antibiotica, al snel dodelijk is.

Op de laatste pagina van de fascinerende en doorwrochte studie van de drie onderzoeksjournalisten van The New York Times lees ik: 'Plannen moeten worden gemaakt voor de vestiging van laboratoria, vaccin-fabrieken en centra van medische basisbehoeften vanwege de mogelijkheid van een dreigende bio-terroristische aanval. Directe actie moet worden ondernomen om een binnenlands beschermings-programma voor burgers op te zetten.'

Dit zijn niet de woorden van vandaag. Ze komen uit een rapport van het Pentagon uit 1949.

In de Koude Oorlog legden beide supermachten grote hoeveelheden biologische wapens aan. Deze bewapeningswedloop werd plotseling in 1972 onderbroken door president Richard Nixon die een verdrag met de Sovjet-Unie sloot dat offensieve biologische wapens verbood. Voor defensief gebruik en wetenschappelijke, bijvoorbeeld medische doeleinden, mochten virussen en bacteriën wel in kleine hoeveelheden worden aangehouden. De scheidslijn tussen defensief en offensief gebruik was vaag. In een mum van tijd kon dit materiaal worden gemilitariseerd.

Nixon lag in de Vietnam-oorlog erg onder vuur en kon wel een politiek succes gebruiken. Belangrijkste overweging bij het verdrag was echter dat supermachten geen belang hebben bij biologische wapens omdat ze vooral ook gebruikt konden worden door arme landen. Biologisch materiaal zou vanwege de relatief geringe kosten in snel tempo kunnen uitgroeien tot 'de atoomboom voor de Derde Wereld'.

Nog tot in de jaren tachtig was het Amerikaanse establishment nauwelijks geïnteresseerd in biologische wapens. Generaal Brent Scowcroft, de nationale veiligheidsadviseur van de presidenten Ford en Bush, verwoordde het als volgt: 'Voor mij zijn biologische wapens praktisch gezien niet echt militair nuttig. Ze zijn geschikt als terroristisch wapen, maar in de context van oorlogsvoering zijn ze lang niet precies genoeg, het resultaat is moeilijk meetbaar. Het is niet waarschijnlijk dat ze gebruikt worden.'

In de jaren negentig kwam de echte doorbraak in de beeldvorming rond de biologische wapens. Geleerden uit de voormalige Sovjet-Unie vestigden zich in de Verenigde Staten en vertelden dat de Russen een enorme voorsprong hadden op de Amerikanen. In Siberie stonden biochemische complexen die alleen al duizenden liters antrax produceerden. Toen verderop in de jaren negentig de betrekkingen tussen de Russen en de Amerikanen waren genormaliseerd kwamen er wederzijdse inspectiebezoeken en ontdekten de Amerikanen dat het allemaal klopte wat ze eerder hadden gehoord.

In Stepnogorsk in Kazachstan werd een biochemische stad ontdekt waar opslagruimtes voor biologisch en chemisch materiaal waren ter grootte van wel drie voetbalvelden. Vergeleken hierbij was het Amerikaanse programma kinderspel. In dit boek roept een inspecteur uit: 'Nu begrijp ik hoe 'duivels' het 'duivelse rijk' was geweest. Het materiaal van Stepnogorsk had met gemak de hele Amerikaanse bevolking kunnen uitroeien. En mijn God, dan moet je weten dat er nog minstens zes van die steden waren die je niet op de kaart van de voormalige Sovjet-Unie tegenkomt.' Dezelfde inspecteur roept bij vertrek uit de spookstad ook nog wanhopig uit: 'Waar zijn de 60.000 Russische geleerden gebleven? En vooral, waar is al het spul gebleven?'

Tijdens de Golfoorlog waren de Amerikanen ervan overtuigd dat Irak over grote arsenalen aan biologische en chemische wapens beschikte. Aan Amerikaanse kant waren te weinig vaccins voor de Amerikaanse soldaten. De Amerikaanse inschatting was dat Saddam Hoessein in laatste instantie zijn toevlucht zou nemen tot deze terreurwapens en daarom was het maar beter om hem in Bagdad aan de macht te laten.

De Amerikanen lieten zich volgens de schrijvers leiden door reële angst, die in de jaren negentig steeds grotere vormen aannam. In essentie komt het er op neer dat de biologische wetenschap, en met name ook de gentechnologie, in snel tempo grote doorbraken kende. Biologische wapens konden met behulp van de laatste technieken zo resistent gemaakt worden dat vaccins ertegen kansloos waren. Daar kwam nog eens bij dat tot 1997 geïnteresseerde burgers in de Verenigde Staten eenvoudig per post potentieel zeer gevaarlijk biologisch materiaal konden bestellen.

De geest is dus uit de fles. Antrax was tientallen jaren geleden in zijn vloeibare vorm redelijk onschuldig vergeleken met de verfijnde toepassingen van nu. Door allerlei cocktails te maken met bijvoorbeeld chemische toevoegingen ontstaat een soort van 'super-antrax' waartegen niets bestand is. De huidige antrax-angst wordt mede ingegeven door de onzekerheid over wat voor nieuwe antrax-variant nu weer is ontwikkeld.

Maar antrax is zelfs nog 'peanuts' vergeleken bij het pokkenvirus waaraan in het verleden honderden miljoenen mensen zijn overleden. In laboratoria in Rusland en Amerika is een klein deel bewaard. In tegenstelling tot antrax is dit virus besmettelijk en is er geen geneesmiddel. Alleen al in honderden laboratoria en onderzoekscentra verspreid over heel Amerika zijn een vijftigtal levensgevaarlijke virussen en bacteriën beschikbaar waarmee de gehele wereldbevolking meerdere malen kan worden uitgeroeid.

President Clinton heeft in 1999 al voorspeld dat een serieuze biologische aanval op Amerika 'zeer waarschijnlijk is'. Volgens de schrijvers van Germs was Clinton bezeten van dit onderwerp. Clinton verdubbelde het budget om de natie beter te beschermen tegen bio-terrorisme. Hij vroeg het Congres maar liefst om tien miljard dollar.

Er moest een landelijk centrum komen voor het ontwikkelen van grote hoeveelheden vaccins. In 25 steden werden in snel tempo medische noodteams opgezet. In meerdere steden moesten oefeningen gehouden worden. Bij zo'n oefening in Denver bleek dat het grootste probleem lag in de eerste-lijnsopvang in de ziekenhuizen. Er was zo bezuinigd op de Amerikaanse gezondheidszorg in de afgelopen jaren dat er eenvoudig te weinig verpleegsters en doktoren waren die konden worden aangestuurd door deze kleine, gespecialiseerde 'medical response teams'. Bij een aanval met het pokkenvirus zouden er minstens twee miljoen doden vallen.

Maar, het was in ieder geval een beleidswijziging. Clinton werd herhaaldelijk beschuldigd van overdrijving van de bio-terroristische dreiging. Liet hij zich niet teveel leiden door sciencefictionachtige romans? Zoals Tom Clancy's Rainbow Six, waarin een antiterrorisme eenheid een Armageddon probeert te voorkomen. Zaaide Clinton onnodige paniek?

Maar Clinton vertelde in een speech op het eind van zijn presidentschap: 'Als er geen verschrikkelijke ongelukken gebeuren zullen mijn critici waarschijnlijk zeggen 'Zie je wel, Clinton was een angsthaas. Er is niets gebeurd'.' Clinton eindigde met de woorden: 'Maar ik zou dan de gelukkigste man van de wereld zijn!'

Judith Miller, Stephen Engelberg en William Broad: Germs. Biological Weapons and America's Secret War

Simon & Schuster

Terug

 

Afscheid van Amerika

Alfons Lammers neemt binnenkort afscheid als hoogleraar Amerikanistiek aan de Leidse universiteit. In plaats van een echt afscheidscollege heeft hij dat nu al in boekvorm gedaan. In Adieu Amerika, merkt hij bescheiden op: 'Ik heb mij erbij neergelegd dat ik in Leiden voorgoed Schulte Nordholts opvolger zal blijven in plaats van dat hij mijn voorganger is geweest.' Daarmee doet Lammers zichzelf beslist te kort. Natuurlijk, Schulte Nordholt was een groot, ook internationaal gerespecteerd, kenner van Amerika. Lammers mooie boekje is zeker ook een eerbetoon aan zijn leermeester, die hij zelfs zijn tweede vader noemt. Hij citeert uit diens De Mythe en het Westen (1992). In zijn laatste boek schrijft 'Schulte' over wie er, nu het einde van de twintigste eeuw opdoemt, gelijk heeft gekregen: de historicus Paul Kennedy die eigenlijk op termijn de ondergang van Amerika voorspelde of de filosoof Francis Fukuyama die in The End of History poneerde dat de Amerikaanse ideologie universeel was geworden en voor geen andere meer plaats zou maken.

Schulte Nordholt koos geen partij maar merkte over het beloofde land van Reagan en Bush sr. op: 'Er is wel hoop, maar ook onzekerheid. Ernstiger dan de politieke en economische problemen is de morele crisis waarin het land geraakt is en er is geen regering die op dat gebied werkelijk leiding geeft. Het oude kernprobleem van het uitgestrekte land is nog altijd de vraag wat er nu eigenlijk de samenbindende kracht van is.' De geschiedenis blijft altijd gerelateerd aan mythen en Amerika heeft er vele zelf bedacht. Schulte Nordholt leerde ons dat we slechts iets kunnen begrijpen van het raadsel Amerika als we dat irrationele blijven bestuderen.

Van heinde en verre reisde men naar de collegezalen in Leiden om Schulte Nordholt er over te horen vertellen. De Wassenaarse historicus was bezeten van dat 'wonderlijke experiment in de verte' dat zoveel op ons land leek maar er tegelijkertijd ook zo van verschilde.

Lammers voert uiteraard in dit boek ook zijn andere grote held, president Franklin Roosevelt, op: de grootste Amerikaanse president van de twintigste eeuw. In een periode van ongekende crisis en oorlog werkte Roosevelts zonnige zelfvertrouwen als een pepmiddel voor allen die wanhoopten aan het welslagen van het Amerikaanse avontuur. De lichtvoetigheid en tegelijkertijd ook soevereiniteit waarmee hij het ambt bekleedde lijkt Lammers het meest te bewonderen. De natuurlijke leider! Roosevelt woonde in het Witte Huis maar hij was ook het Witte Huis. Met zijn humor en acteertalent bespeelde hij het publiek, en zijn tegenstanders, zoals een violist zijn viool bespeelt.

Die eerste Honderd Dagen waren een mirakel in de Amerikaanse geschiedenis. Lammers citeert de schrijver Saul Bellow, die op een warme zomeravond in de jaren dertig naar huis wandelde. Overal langs de stoepen zag hij auto's staan, bumper aan bumper, de ramen naar beneden, het portier open. Als je er langs liep kon je Roosevelts radiospeech woord voor woord volgen. 'Je voelde je,' zo zei Bellow, 'een worden met al die chauffeurs, met de mannen en vrouwen die zwijgend hun sigaret rookten en die nieuwe moed putten uit wat de president te zeggen had.'

Amerika is ook nu nog het land van Roosevelt, want wie zijn land door zulke crises leidt, is voor eeuwig invloedrijk. In iedere verkiezingscampagne valt zijn naam en zelfs Republikeinse presidenten vergeleken zich met hem. Van Reagan is bekend dat hij altijd een portretje van FDR op zak had en vaak vertelde de president de anekdote dat zijn vader hem had verteld 'dat hij na zijn dood naar Roosevelt zou gaan'.

In 1966 vertrok Lammers per schip naar Amerika om de Nieuwe Wereld te ontdekken. De liefde voor Amerika zou nooit meer overgaan. Schulte Nordholt en zeker ook Lammers hebben het grootse verhaal van Amerika aan duizenden studenten verteld. Ook bij Lammers puilden de collegezalen uit. Hij was de eerste doctorandus die Amerika-deskundige werd genoemd al had hij wat moeite met de vluchtige media.

Schulte Nordholt was de hartstochtelijke dichter-historicus, Lammers de wat meer ingetogen schrijver-historicus. Maar toch, als Lammers schrijft is het alsof voor even de ziel van Amerika oplicht. Die sensatie kan alleen een begenadigd schrijver teweeg brengen.

De Leidse Amerikanistiek stond altijd voor een gedegen wetenschappelijke en welhaast literaire traditie tot 'leringhe en de vermaeck' van de studenten. Het is een schande dat uit (eeuwige!) bezuinigingsdrift de regenten van de universiteit overwegen om geen opvolger-hoogleraar te benoemen bij het vertrek van Lammers. Schulte Nordholt en zeker ook de van Nederlandse afkomst zijnde Roosevelt zouden zich in hun graf omdraaien.

A.Lammers: Adieu Amerika

Balans

Terug

 

George Bush kan zijn ranch in Texas voorlopig wel vergeten

Natuurlijk was Amerika allang niet meer het onkwetsbare fort, verschanst tussen de wereldzeeën. Maar tot gisteren waren de terreurdaden tegen de VS te overzien.

ALSOF HET EINDE van de wereld nabij was, zo beschreef een van de wanhopige ooggetuigen de World Trade-catastrofe in New York. Amerika is het Christelijkste land ter wereld en velen zullen in dat soort apocalyptische, bijbelse beelden hebben gedacht.

Velen zullen ook hebben teruggedacht aan de onverhoedse aanval op Pearl Harbor en de aanslag op John F. Kennedy toen een rouwsluier over het land werd getrokken. Die aanslag op die ene president gebeurde middenin de Koude Oorlog. Gisteren riepen wanhopige burgers net als toen: 'Wat moet met ons land, onze kinderen en de wereld gebeuren? In wat voor wereld leven we?' Voor even was het gisteren 7 december 1941 of 22 november 1963.

Vanaf de jaren negentig waren er diverse terroristische acties op Amerikaanse bodem. Maar het aantal slachtoffers was beperkt, en daders van terreurdaden als in Oklahoma City en de eerdere terreuraanslag in het World Trade Center zijn gepakt.

Amerikanen zijn praktisch ingesteld. Ze willen snel resultaat zien. Na elke aanslag worden veiligheidsmaatregelen op vliegvelden en in overheidsgebouwen verscherpt. Vorige week nog was ik op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Vroeger kon je zo in- en uitlopen. Nu zie je om de paar meter een geüniformeerde agent, zijn er hekken en binnen is een special pad dat via detectiepoortjes loopt. Overal moet je je speciale pas laten zien.

Al in 1999 heeft Paul Bremer, de voorzitter van de Commission on Terrorism, gezegd dat de Verenigde Staten veel agressiever moeten optreden tegen het terrorisme. Hij voorspelde dat in de toekomst een aanslag zou worden gepleegd waarbij tienduizenden doden kunnen vallen.

Bush zit in een uiterst netelige positie, want hij kan vanaf vandaag zijn beleidsprioriteiten wel vergeten. Niet onderwijs, maar 'de oorlog tegen het terrorisme' zal zijn topprioriteit zijn in de komende maanden en waarschijnlijk zelfs jaren.

Het presidentschap van Bush lag de laatste tijd al zeer onder vuur. Veertig procent van zijn tijd is de president buiten Washington geweest. Daar sprak bijna een minachting uit ten opzichte van het politieke centrum van Amerika. Vanaf vandaag zal Bush constant in Washington moeten zijn en moet hij zijn geliefde ranch in Crawford, Texas, voorlopig maar vergeten.

Bush moet vooral ook koel en nuchter blijven in dagen die voor hem, ook als politicus, zijn grootste nachtmerrie zijn. In feite is de huidige situatie te beschrijven als een de facto staat van oorlog tegen een onzichtbare terroristische vijand. Het Amerikaanse volk zal schreeuwen om een zo spoedig mogelijk uit te voeren vergelding.

Maar wat kunnen de Amerikanen daarmee bereiken? Stel dat Osama bin Laden hier inderdaad achter zit. Moeten de Amerikanen dan zijn bases bombarderen in Afghanistan? Bin Laden beschikt in een vijftigtal landen over een onzichtbaar netwerk van terroristische cellen. Als 'de dag der wrake' een langdurige regen van bombardementen zal betekenen, zal dat ongetwijfeld de psychologische behoeften van veel Amerikanen bevredigen, maar in de strijd tegen het terrorisme is zo'n wraakexpeditie nutteloos. Het zal alleen maar tot meer vergeldingsacties leiden.

Het beste wat Bush kan doen, is zich nu eindelijk eens internationaal coöperatief opstellen. Hij moet, veel meer dan voorheen, samenwerken met de internationale gemeenschap, ook in de strijd tegen het internationale terrorisme. Bush is geen tweede Roosevelt, Kennedy of Clinton. Hij mist vooralsnog hun internationale statuur. Maar hij zal de komende maanden nationaal en internationaal leiderschap moeten tonen. Tot nu toe hebben we daar bitter weinig van gemerkt.

En intern moet hij de Amerikaanse veiligheidsdiensten stroomlijnen. Ongeveer veertig overheidsinstanties zijn actief in de bestrijding van het terrorisme. Het Witte Huis moet veel meer een coördinerende functie vervullen.

Bush moet afstand nemen van het waanbeeld dat een wereldoverspannend antiraketschild Amerika veiligheid kan bieden tegen 'schurkenstaten' die terroristische organisaties de hand boven het hoofd houden.

Die wereld volgens Bush was een naïeve wereld die werd gedomineerd door een versleten Koude-Oorlogsdenken, waarbij Amerika meende zich een egocentrisch unilaterisme te kunnen permitteren. De laatste maanden zond Amerika geen speciale afgezant naar het Midden-Oosten, geen extra Amerikaanse soldaten naar Macedonie en werden de onderhandelingen met Noord-Korea heel lang uitgesteld.

Misschien moeten we ons gelukkig prijzen dat het Witte Huis over ervaren politici beschikt als vice-president (en oud-minister van Defensie) Dick Cheney en Colin Powell. Het is te hopen dat het gematigde geluid van de laatste nu ook meer zal doorklinken. Powell, hoe voorzichtig ook, is in essentie een internationalist, maar de laatste maanden werd hij overvleugeld door de America First haviken in het Witte Huis.

Bush en de zijnen zullen nu beseffen dat ook Amerikanen leven in een gevaarlijke wereld, waar het kwaad overal zit. De aanslagen van gisteren hebben nog eens in een klap duidelijk gemaakt in wat voor global village we leven, waar iedereen afhankelijk is van elkaar. Een begrip als internationale solidariteit moet het winnen van eng nationalistisch gedachtegoed.

Vorige week sprak ik in Washington met Norman Ornstein, een van Amerika's meest gerespecteerde commentatoren. Hij stelde vast dat in vijfhonderd jaar nog nooit een supermacht zo dominant was geweest als zijn land nu. 'Zelfs op de nummer twee hebben wij een enorme voorsprong.'

Met die observatie probeerde Ornstein het wereldbeeld van president Bush te schetsen. Aan dat wereldbeeld is gisteren definitief een einde gekomen.

Terug

 

Van woestenij tot metafoor

Talloze dagboeken zijn al gepubliceerd over de trek naar het verre westen in het negentiende-eeuwse Amerika. Ze beschrijven een wereld die wij ons nauwelijks meer kunnen voorstellen, met een overvloed aan dieren, die vaak heel dichtbij komen, en prairies die zwart zien van de bizons. Het Pad naar Oregon geeft rake typeringen en schitterende beschrijvingen van het landschap waar Francis Parkman in 1846 doorheen trok.

Zoals zo vaak bij dit soort reizen was het vertrekpunt St. Louis, waar de Mississippi-rivier werd overgestoken, waarna de wildernis wachtte. Parkman is een echte reisgids; op de eerste pagina geeft hij aan dat hij louter vanwege 'de nieuwsgierigheid en ter vermaak' de tocht naar de Rocky Mountains wilde maken.

Met meerdere huifkarren, een zogenaamde 'trein', reisde hij aanvankelijk nog over weidse prairies met mooie uitzichten. Parkman romantiseert niet; al gauw verhaalt hij hoe de wagens blijven steken in de modder, hoe paarden losbreken; het tuig het begeeft en de wielassen niet blijken te deugen. Zijn bed bestond vaak uit dikke, zwarte modder. Wat voedsel betreft moest hij zich tevreden stellen met beschuit en taai pekelvlees; in dit deel van het Amerikaanse continent zat vanwege de oprukkende westerse beschaving nog maar weinig wild.

Parkman waarschuwt de toekomstige reiziger voor de gevaren onderweg: 'Ter compensatie voor het onvoorziene tekort aan wild zal het ongedierte hem echter in groten getale belagen. De wolven zullen hem 's nachts onthalen op een concert, massa's slangen zullen onder de hoeven van zijn paard vandaan glijden of hem 's nachts stilletjes in zijn tent bezoeken, terwijl het hardnekkige gezoem van ontelbare muskieten de slaap van zijn oogleden zal verdrijven. Wanneer hij dorstig door een lange rit in de verzengende zon over een eindeloze prairie eindelijk een plas water bereikt en afstijgt om te drinken, ontdekt hij dat een meute jonge kikkervisjes onder in zijn kroes ronddartelt. En daarbij komt nog dat de zon de hele morgen met een benauwde, doordringende hitte op hem neer brandt, en dat met een irritante regelmaat omstreeks vier uur 's middags een onweersbui komt opzetten die hem tot op het bot doorweekt.'

Al na enkele dagen bereikt het gezelschap van Parkman de steeds opschuivende 'frontier'. Hun timing was interessant, want het midden van de negentiende eeuw was het tijdperk van de laatste grootschalige vriendschappelijke contacten met de indianen. De spanning in dit boek wordt mede veroorzaakt door de geleidelijk aan veranderende indiaanse houding ten opzichte van de blanke overheerser.

De Amerikaanse overheid was in deze wondere wereld ver weg. Uiterste handelspost was Fort Laramie, eigendom van de 'American Fur Company' die het monopolie had op de handel met indianen in deze streek. De kooplieden hadden hier hun eigen enclave; de verst gelegen buitenposten van het Amerikaanse leger bevonden zich op 1100 kilometer richting het oosten.

Op de binnenplaatsen schreden tussen de blanke pelsjagers lange indianen in witte bizonmantels, andere indianen lagen languit op de lage daken van de gebouwen die het terrein omsloten. Parkman levert ons interessante waarnemingen over de indianen en daarbij toont ook hij zich een product van zijn tijd. Natuurlijk was het blanke ras superieur! Parkman is wel onder de indruk van de gastvrijheid van de indianen, maar vond het voortdurend roken van de vredespijp eigenlijk maar een vermoeiende bezigheid. Uitgebreid werd je als blanke vreemdeling besnuffeld. 'Weinig wezens zijn zo nieuwsgierig naar dingen die binnen het gewone bereik van hun denken liggen, maar ze doen geen moeite om naar iets te vragen wat ze niet kunnen begrijpen. De indiaan stort zich nooit in speculaties en gis zingen, en zijn rede volgt de getreden paden. Zijn ziel sluimert, en er is nog geen missionaris of zendeling, geen jezuïet of puritein uit de oude of de nieuwe wereld in geslaagd haar met zijn inspanningen te wekken.'

Zo'n heropvoeding was beslist nodig, want Parkman beschrijft uitgebreid de wrede gewoontes van de indianen in hun talloze onderlinge oorlogen. Zo hoorde Parkman van een indiaans opperhoofd hoe een vijandige Soshoni-Indiaan, terwijl de rest van zijn stam al was afgeslacht, een berg was opgejaagd. Daar werd hij gevangen en levend gescalpeerd. 'Vervolgens werd een groot vuur aangelegd, de pezen van de polsen en voeten van de gevangene doorgesneden, die er vervolgens werd ingegooid. Met lange stokken werd hij al tegenspartelend neergedrukt tot hij levend was verbrand.' Het opperhoofd verfraaide zijn verhaal door bijzonderheden te beschrijven 'die veel te weerzinwekkend zijn om te vermelden'. 'Oorlog is voor hen als de lucht die ze inademen'.

Parkman probeerde het oorlogszuchtige karakter van de indiaan te verklaren door hun gewoontes en bijgeloof uitgebreid te bestuderen. Hij beschrijft uitvoerig hoe de jonge indiaanse krijgers de grotten introkken om dagen te vasten en te mediteren. In hun dromen en visioenen, die door deze verzwakte en geëxalteerde staat waren opgeroepen, meenden zij bovennatuurlijke openbaringen waar te nemen. Zo zagen zij vaak het beeld van de vreselijke grizzly, hun god van de oorlog, die het vuur van de krijgshaftige moed en de dorst naar roem in hen ontstak.

Parkmans verslag is vooral vanwege dit soort wonderlijke en tijdsgekleurde observaties en verklaringen een uitstekende authentieke bron, prachtig vertaald door Inge Kok. Het recentelijk verschenen boek van de jonge historicus Jon E. Lewis plaatst Parkmans reis in een breed historisch perspectief. Op basis van talloze dagboeken bewijst hij dat de indianen de nieuwkomers op hun prairies aanvankelijk niets in de weg legden en zelfs bereid waren met hen te handelen in ruil voor slechts wat vuurwater. Nog in 1846 schreef J.M. Shively in zijn reisgids dat 'het heel erg aan te raden is een indiaan te huren als loods om de Snake River over te steken. Op indianen kon je blindelings vertrouwen!'

Maar in snel tempo kwamen er irritaties over de enorme stromen blanken die de indiaanse landen bevolkten en hen hun levenswijze opdrongen. In recordtijd werd het wild, met name de voor de indianen zo belangrijke bizon, afgeslacht. Watervoorraden raakten uitgeput en de eerste prairiegronden leden door blanke overheersing aan erosie. De indianen konden niet anders dan zich aanpassen aan de blanken en eisten als compensatie steeds vaker geld. Bij allerlei oversteekplaatsen en passen in de Rocky Mountains werden door de indianen tollen geheven. Wat de blanken daaraan irriteerde, was volgens Lewis niet het geld 'maar het idee dat de roodhuiden enig recht konden uitoefenen op de blanken'.

Nog in 1851 werd op verzoek van de Amerikaanse regering een grote verzoeningsvergadering georganiseerd vlakbij Fort Laramie. Vele stammen werden door zo'n tienduizend indianen vertegenwoordigd. Als compensatie werd de indianen collectief 50.000 dollar geboden en wat wapens, als zij maar weg zouden blijven van de blanke sporen en zich zouden willen vestigen in wat al gauw de reservaten genoemd zouden worden.

De indianen 'raakten de pen aan' en stemden dus toe, in de overtuiging dat een tijdperk van harmonie was aangevangen. Lewis citeert een opperhoofd van de Arapaho-indianen: 'Ik ga tevreden naar huis. Ik zal lekker slapen en hoef voortaan mijn paarden niet meer in de gaten te houden, of bang te zijn voor het lot van mijn vrouw en kinderen. Wij behoren ook te leven temidden van de rivieren en de heuvels, en ik zou gelukkig zijn als de blanken voor henzelf een plek zouden vinden en niet meer onze gronden zouden betreden.'

Dat was natuurlijk naïef, waarbij ook meespeelt dat de politieke organisatie van de indianenstammen nu eenmaal niet toeliet dat het opperhoofd sprak voor alle leden. Zijn gezag en het daaruit voortvloeiende mandaat was gebaseerd op krijgshaftige daden en kon snel vervliegen. Bovendien beseften veel opperhoofden niet wat nu precies van hun geëist werd door de blanken. Waarom moesten ze hun vrijheid om de wind te volgen opgeven? Hoe kon er een grens zijn waarachter de bizons niet meer achtervolgd mochten worden?

Lewis legt de schuld overduidelijk bij de Amerikaanse politiek, die geen enkel begrip had voor de indiaanse cultuur en bovendien meteen de overeenkomst verbrak. De inkt was nog niet opgedroogd of het aantal jaren van financiële compensatie werd al ingekort. Ook werden veel minder goederen geleverd dan afgesproken.

Bijna veertig jaar oorlog tussen blanken en indianen werd ingeleid door een incident over een koe. Op 18 augustus 1854 slachtte een Sioux-Indiaan een koe die was zoekgeraakt op de Oregon Trail. De blanke eigenaar kwam er achter en eiste een schadevergoeding van 25 dollar. Het opperhoofd van de Sioux wilde een oplossing in natura en bood twee koeien als compensatie. Dit werd geweigerd en het Amerikaanse leger besloot meteen te interveniëren. Een compagnie soldaten marcheerde het indianendorp binnen en eiste uitlevering van de stelende indiaan. Er volgde een gevecht waarbij het opperhoofd werd doodgeschoten. Vervolgens doodden honderden indianen de blanken.

Een jaar later werd in een strafexpeditie een naburig indiaans dorp uitgemoord en platgebrand. Een indiaan aanschouwde de moordpartij vanaf een heuvel en vluchtte de 'Sand Hills' in waar hij later het visioen kreeg van hemzelf op een vliegend paard, onkwetsbaar voor kogels. Hij zou de nieuwe leider worden in de strijd van de indianen tegen de gehate blanken en zijn naam was 'Crazy Horse'.

Lewis' Mammoth book of the West ontstijgt het niveau van een gewoon historisch handboek omdat Lewis op basis van veelal origineel bronnenmateriaal stelling durft te nemen. Niet zozeer uitsluitend voor de indianen (ook hij beschrijft hun wreedheden en onderlinge twisten uitvoerig), maar in ieder geval tegen de blanken die hij in wezen van massamoord beschuldigt.

Een prachtig eind van zijn boek is het hoofdstuk over de geschiedenis van de westernfilm. Het Wilde Westen bestaat alleen nog als mythische metafoor in het collectieve geheugen van de Amerikanen, maar de westernfilm is onsterfelijk, wat betekent dat voor veel Amerikanen de fictie de realiteit heeft ingehaald. Vroegere generaties hadden tenminste nog de mogelijkheid te praten met de deelnemers aan het Grote Avontuur. Ons resten slechts boeken en films.

Honderd jaar geleden begon het allemaal met een filmpje van tien minuten, The Great Train Robbery en vervolgens had ieder tijdsbestek zijn eigen interpretatie van de strijd tussen 'Goed en Kwaad', zoals het machtige epos van het Wilde Westen vaak is verbeeld. In de jaren dertig, de crisisjaren, in een film als Union Pacific (1939), stonden de rijke hongerige kapitalisten centraal die de arme blanke cowboys uitbuitten. In onze meer revisionistische tijd vragen films nadrukkelijk aandacht voor het ellendige lot van de indianen zoals Dances with wolves (1990).

In heel veel Amerikanen schuilt een John Wayne, en die heeft nu eenmaal altijd een decor nodig voor zijn heldendaden. In het huidige Amerika zal 'uiteindelijk iedereen de western krijgen die hij of zij zich wenst', oordeelt Lewis cynisch.

Francis Parkman:

Het Pad Naar Oregon

vertaald door Inge Kok

Atlas

Terug

 

Las Vegas, hoofdstad van Amerika

Las Vegas als een fata morgana: een luchtspiegeling, een rimpeling in de verte. Gezichtsbedrog? Een hele dag reed ik vorige zomer door het het lege landschap van de Mojave-desert om tegen zonsondergang plotseling de lichten van Las Vegas te zien.

Las Vegas is een verbijsterende, onwerkelijke ervaring. Juist hier, ogenschijnlijk aan de rand van de wereld, worden de krankzinnigste fantasieën werkelijkheid.

De stad heeft de afgelopen decennia een metamorfose ondergaan. Het is allang niet meer het gokkerparadijs van gangsters als Meyer Lansky en Sam Giancana. Wie vroeger in het Flamingo-hotel logeerde, keek uit op de prachtige tuin vol bloedrode rozen: een 'waarschuwingsteken' van een andere gangster, 'Bugsy' Siegel, die daar een paar tegenstanders onder de grond had gestopt. Nu ligt er een keurig grasveldje naast het enorme, zwembad met de beroemde tropische vogels.

Sin City wil af van het al te nadrukkelijke criminele gokkersimago. In een poging nog meer toeristen te trekken wil men er voortaan een gezinsvriendelijk gezicht tonen. Nog vrij nieuwe, super-de-luxe hotels met duizenden kamers maken plaats voor meer absurditeiten en extravagantie. Ieder hotel aan de 'Strip' heeft nu z'n eigen themapark. Zo kun je temidden van de reusachtige wolkenkrabbers van hotel New York, New York het nagebouwde Vrijheidsbeeld bezoeken (groter dan het echte). In de hotelpiramide 'Luxor' tref je een replica van het graf van Toetanchamon aan (met een McDonald's). En in de tuin van de Mirage vergapen zich iedere avond duizenden toeschouwers aan een vuurspuwende nepvulkaan die een pinnacolada-geur verspreidt om paniek te voorkomen. In deze schijnwereld kun je ook de Eiffeltoren bezoeken en varen met Venetiaanse gondels.

In een kritische, fascinerende studie wordt deze gezinsvriendelijke faCade van het nieuwe 'Orlando van het westen' in snel tempo afgebroken door de onderzoeksjournalisten Sally Denton en Roger Morris. De laatste heeft eerder onder meer een gezaghebbende studie over Richard Nixon gepubliceerd en was ooit staflid van de Nationale Veiligheidsraad.

Achter de mooie maatkostuums van de managers van de op het oog zo fatsoenlijke hotel-casinobedrijven gaat volgens hen 'meer dan ooit een alles overheersend syndicaat van de georganiseerde misdaad schuil'. De schrijvers hanteren de stelling dat Las Vegas niet een aparte, zondige gedoogzone aan de periferie van de maatschappij is, maar 'de schaduwhoofdstad van Amerika aan het begin van een nieuw millennium.' Wie Las Vegas begrijpt, zal Amerika beter begrijpen, luidt de boodschap. Zij roepen het spookbeeld op van een Amerikaanse maatschappij waarvan geen sector vrij is van de bemoeienis van de criminelen van Las Vegas. De ultieme infiltratie!

Las Vegas is de snelst groeiende stad van Amerika, een olievlek. In 1988 was gokken nog maar in twee staten legaal, nu in 48 staten. Gokken is de snelst groeiende industrie van de Verenigde Staten. Amerikanen geven zes keer zoveel geld uit aan gokken als aan alle andere vormen van entertainment tezamen. En ook de gokspelletjes op het onbegrensde internet zijn een vinding van Las Vegas. Deze gokindustrie heeft de afgelopen tien jaar voor honderd miljoen dollar gestort in de verkiezingscampagnes van politici in - hoe toevallig - 48 Amerikaanse staten. Sinds Eisenhower is iedere president financieel en dus ook politiek afhankelijk geweest van Las Vegas.

Dat is me nogal een bewering. Op het eind van hun boek komen de schrijvers met een vijftigtal pagina's documentatie, waaronder recentelijk vrijgekomen FBI-rapporten. Maar ze beroepen zich ook op anonieme bronnen en dat is natuurlijk minder geloofwaardig.

Toch dwingt The Money and The Power tot nadenken, omdat in de recente Amerikaanse geschiedenis nog zoveel raadsels verborgen liggen en hier toch verklaringen kunnen liggen. Waarom zette FBI-baas J. Edgar Hoover bijvoorbeeld al zijn agenten in voor zijn hysterische strijd tegen het communisme en slechts een tiental tegen de georganiseerde misdaad? Omdat de Las Vegas-criminelen over een uitgebreid archief van compromitterende foto's van de homoseksuele Hoover beschikten. Las Vegas was een van zijn favoriete bestemmingen. Bovendien was hij gokverslaafd.

Nog een voorbeeld. De Cubaanse rakettencrisis bracht de wereld op de rand van de afgrond. Waarom? Omdat John Kennedy en zijn vrienden, onder wie Frank Sinatra, Castro haatten. Hij had hun gokparadijs Havana genationaliseerd. In dit boek wordt Kennedy met zijn talloze plannen voor moordaanslagen 'een Castro-stalker' genoemd. Chroestjov kon niet anders dan Castro's Cuba met raketten beschermen, met alle gevolgen van dien.

En wat had Nixon eigenlijk te zoeken in het Watergate-kantorencomplex? Volgens de auteurs werden zijn beide presidentiele verkiezingscampagnes uitgebreid gefinancierd door stromannen van de Las Vegas-miljardair Howard Hughes. Nixon had een obsessieve angst dat een van hen, Robert Maheu, belastende informatie had doorgespeeld aan de Democraten en daar waren de inbrekers in werkelijkheid naar op zoek.

Interessant is ook het portret van de jonge acteur Ronald Reagan, die aanvankelijk nog wel wat linkse sympathieën had, maar al gauw werd bekeerd door zijn vrienden in Las Vegas die ook een uitgebreid netwerk in Hollywood hadden. Toen hij in 1980 uiteindelijk president werd, beloofde hij een einde te maken aan de georganiseerde misdaad, maar juist hij bezuinigde als geen ander op de onderzoeksunits van de FBI en andere opsporingsinstanties van de Amerikaanse overheid. Uitgerekend Robert Laxalt, de corrupte en zeer invloedrijke senator van Nevada, was de man 'waar Ronnie buiten mij als geen ander van hield', aldus echtgenote Nancy. Een echte huisvriend! In dit boek worden Reagans Las Vegas-connecties uitgebreid bevestigd.

Bill Clinton deed bij het begin van zijn presidentschap een soortgelijke belofte. Hij stelde zelfs voor de gokindustrie een heel beperkte federale belasting van 4 procent op te leggen. Nog geen jaar later kwam Clinton hierop terug. 'Zoiets heb ik nooit gezegd', sprak Clinton tijdens een lunch in Las Vegas waarvoor per couvert tienduizend dollar betaald moest worden. 'Jullie zijn intelligent genoeg om Democraten te steunen zodat jullie kunnen doorleven als Republikeinen.'

De naam van Danny Ray Lasater wordt opgevoerd als een van Clintons financiële steunpilaren uit Las Vegas. Inmiddels zit hij in de gevangenis vanwege cocaïnehandel. Bij zijn herverkiezingscampagne noemde Clinton gokken opeens 'een positieve economische ontwikkeling'. Hij prees Skip Hayward, een werkloze Indiaanse Amerikaan die in recordtijd met steun van Las Vegas een indianenreservaat in Connecticut had omgetoverd tot het 'Koeweit van Amerika'. Hayward behoorde tot de top tien van Clinton-geldschieters.

Las Vegas als metafoor opvoeren voor heel Amerika schetst van dit land een diepdroevig beeld. Weliswaar staan in dit boek 'onthullingen' die niet allemaal bewezen zijn, maar duidelijk is wel dat nergens ter wereld de onderwereld en de bovenwereld zo in elkaar overgaan. De gokindustrie wordt gefinancierd door 'nette' banken die met naam en toenaam worden genoemd. Ook universiteiten zoals die van Princeton en Harvard worden als financieel belanghebbend geafficheerd, zelfs de Mormoonse kerk, die nota bene gokken als moreel verwerpelijk veroordeelt.

'De Mormoonse ethiek van loyaliteit, discretie en gehoorzaamheid passen uitstekend bij de gangsters van Las Vegas', aldus Denton en Morris. 'Vanaf de jaren zestig vertrekt iedere maandagochtend een vliegtuig naar het Mormoonse hoofdkwartier in Salt Lake City. Aan boord zijn koffers met honderdduizenden dollars van casinowinsten.'

Zelfs al is slechts een gedeelte van de onthullingen waar, toch liegen de feiten niet: Las Vegas is Amerika's stad nummer een als het gaat om het aantal zelfmoorden, alcoholverslaafden en tienerzwangerschappen. Het corrupte stadsbestuur heeft volstrekt gefaald bij het opzetten van een sociale infrastructuur. Ondertussen trekt Vegas, een wereld van onvoorstelbaar veel geld verdienen en verliezen en van een alles overheersend egoïsme, nieuwe stromen van miljoenen toeristen en is het na Mekka het drukstbezochte pelgrimsoord ter wereld. Denton en Morris houden ons een spiegel voor. Dat is de verdienste van dit boek.

Sally Denton en Roger Morris:

The Money and The Power

The Making of Las Vegas and Its Hold on America, 1947-2000

Knopf, imp. American Book Center

Terug

 

Hoe de Bushies Bush in het zadel hielpen

Het is de verkiezingsnacht van 7 op 8 november. In Austin, Texas, zijn de champagneflessen geopend. Vader en zoon Bush kijken elkaar ontroerd aan. Eindelijk is wraak genomen voor de nederlaag die Bush sr. in 1992 leed tegen de gehate Clinton.

De beslissing is uiteindelijk in Florida gevallen. Eerst had de televisie Florida nog aan Gore gegeven, maar die fout is nu hersteld. Gore heeft gebeld om zijn nederlaag toe te geven. De 'Bushies' voelen zelfs enig medelijden met hun tegenstander, want juist zij weten heel goed hoe het voelt om te verliezen.

Maar nu, om drie uur in de nacht, gaat weer de telefoon. De vice-president aan de telefoon.

'De omstandigheden zijn dramatisch veranderd sinds ik u voor het eerst belde. De staat Florida is 'too close to call'.'

'Zegt u wat ik denk dat u zegt?', reageert Bush vol ongeloof. 'Laat me er zeker van zijn dat ik het goed begrijp. U belt terug om uw nederlaag weer in te trekken?'

'U moet niet stekelig worden', zegt Gore kribbig terug. 'Laat het me uitleggen', vervolgt de vice-president op het pedante toontje dat hem zo kenmerkt. Als Bush inderdaad de meeste stemmen heeft gehaald in Florida is hij gaarne bereid Bush te erkennen als winnaar en Bush zijn volledige steun te geven, 'maar ik denk dat we geen verklaringen meer moeten afleggen nu het er om hangt wie Florida heeft gewonnen.'

Bush is verbijsterd. Beseft Gore dan niet dat zijn broer gouverneur van Florida is ? Hij die iedere uithoek van Florida kent, zit al uren achter de computer om de stemresultaten in de districten te bestuderen. 'Mijn kleine broertje zegt dat het voorbij is.'

'Ik denk niet dat dit iets is wat uw kleine broertje beslist', antwoordt Gore koeltjes.

Met de opmerking 'U moet maar doen wat u denkt te moeten doen', beeindigt Bush een van de meest bizarre gesprekken die ooit gevoerd zijn in een Amerikaanse verkiezingscampagne.

Deze conversatie staat in Deadlock, een boek dat eigenlijk een groot krantenartikel is waarin de gebeurtenissen van de 'slag om Florida' nog eens op een rijtje worden gezet. Het is een helder en dus handig overzicht van de 36 dagen die als een duizelingwekkende wervelwind aan het wereldpubliek voorbijtrokken.

Iedere dag was er weer een nieuwe ontwikkeling. Er kwamen meer dan 50 rechtzaken en beroepsprocedures bij talloze rechtbanken. Er waren honderden persconferenties, talloze demonstraties en vele duizenden uren televisie waarbij vooral de totale verwarring bij het met de hand hertellen van stembiljetten op ieders netvlies is gebrand. In Deadlock wordt de zaak 'Gore versus Bush' getypeerd als 'een totale oorlog waarbij een leger van de meest geharde en sluwe politieke soldaten werd ingezet.'

Het is opmerkelijk en veelzeggend dat de progressieve Washington Post-journalisten geen vlammend manifest hebben geschreven waarin zij het opnamen voor de Democraat Gore. In hun neutrale verhaal moet de lezer zelf maar oordelen. Daarmee past Deadlock niet echt in de traditie van boeken die achteraf zijn geschreven over een presidentiele verkiezingscampagne. Veertig jaar geleden was de journalist Theodore White hiermee begonnen. Hij gaf ons een spannend kijkje achter de schermen van de Kennedy-Nixon campagne, bijna literatuur. Maar de afgelopen campagnes zijn zo uitgebreid 'gecovered' door de vele media dat er steeds minder behoefte is aan dit genre van onthullende boeken.

Dat geldt natuurlijk niet voor de 36 dagen na 7 november 2000. Inmiddels is al een tiental boeken verschenen over het Florida-debacle. Naast Deadlock als inleiding is Down & Dirty een uitstekende aanvulling, want de onderzoeksjournalist Jake Tapper van de politieke internetkrant Salon analyseert veel meer en geeft daarbij zijn interessante mening. In zijn boek wordt goed duidelijk welke eenvoudige strategie het Bush-team hanteerde en welke tactische blunders met name Gore beging. Al in de verkiezingsnacht werden in Austin de lijnen uitgezet. Bush zelf moest in de luwte gehouden worden en werd meteen 'opgeborgen' in zijn ranch op het Texaanse platteland - dit was nu eenmaal werk voor professionals.

Als leider van het Bush-team werd onmiddellijk oud-minister van Buitenlandse Zaken James Baker aangetrokken. 'Hij had een stem van fluweel maar was opgetrokken uit gewapend beton': de ideale generaal voor de Republikeinse troepen. Volgens Tapper had deze sluwe vos meer gezag en kwaliteiten 'dan alle kopstukken van het Gore-team tezamen.' Zijn tegenstrever, de intellectuele Warren Christopher, verbleekte totaal bij deze geharnaste straatvechter.

Baker begreep onmiddellijk dat gouverneur Jeb Bush niet voortdurend moest worden bekritiseerd omdat hij Florida niet overduidelijk voor zijn broer had kunnen winnen. De gouverneur van Florida was nu juist het geheime wapen. Als geen ander kende hij de staat en had hij overal zijn politieke vriendjes zitten. De jongere Bush kreeg onmiddellijk de opdracht de beste advocatenkantoren te contracteren in alle districten van deze grote staat.

Het Bush-team kende een strakke hierarchie. Baker was de baas en niemand anders. Bovendien was Baker ook met grote regelmaat in de 'Sunshine State' te vinden waar Christopher, Bill Daley en de andere kopstukken van het Gore-team vaak niet ter plekke aanwezig waren. Zij werden ook hinderlijk door Gore zelf voor de voeten gelopen. Gore bemoeide zich overal mee; hij deed hele dagen onderzoek en verving soms persoonlijk advocaten.

Tapper oordeelt dat Gore in een puur machtsspel nooit had kunnen winnen omdat de Republikeinen al vanaf 8 november de troefkaarten in handen hadden om het spel helemaal uit te spelen. Gore had weliswaar het door Democraten beheerste Florida-Hooggerechtshof aan zijn zijde, maar Bush het Republikeinse parlement van Florida en uiteindelijk het conservatieve Hooggerechtshof in Washington. In Florida zaten op de politieke sleutelposten zijn broer en de 'verkiezingsminister' Katherine Harris, een huisvriendin van de familie-Bush.

Het Bush-team zette de toon, door er geen democratische maar louter een juridische strijd van te maken. Steeds was er dezelfde formalistische boodschap: 'Regels zijn regels. De Democratische officials zijn zelf akkoord gegaan met de kiesprocedures en de (achteraf gezien dubieuze, WP) stembiljetten. Er is gestemd. Er is geteld. En er is een grondwettelijke deadline van half december, waarna het kiescollege formeel de landelijke balans opmaakt.'

De Bush-taktiek was rekken, rekken en nog eens rekken. Toen er bijvoorbeeld uiteindelijk een hertelling kwam in vier districten, gingen de Republikeinse advocaten vijf keer in beroep omdat bleek dat een zwarte dame de voorzitter was van een herstellingscommissie. Je kunt altijd vragen of zij wel gekwalificeerd is en op basis waarvan dat bepaald is. Toen in Miami-Dade-county werd herteld stormden woedende Republikeinse demonstranten naar binnen. Een actievoerder riep zelfs uit dat een tellende Democratische official stripjes van stembiljetten doordrukte en deze beruchte chads vervolgens opat. Het hertellen moest onmiddellijk worden opgeschort, zo eisten zij.

Een onthutste Gore moest toezien dat zowat alle Republikeinse demonstranten die prominent door de televisiecamera's in beeld werden gebracht bureaumedewerkers waren van Republikeinse politici.

Toch is er een moment geweest dat de Republikeinen hun hart hebben vastgehouden. Na 7 november mochten nog tien dagen lang stembiljetten van overzee binnen komen. Al gauw wist men in het Democratische kamp dat Republikeinen op vliegdekschepen overal ter wereld actie hadden gevoerd om alsnog na 7 november stembiljetten op te sturen. Een paar duizend van deze militaire stemmen waren niet voorzien van de juiste datering. Het Gore-team ging onmiddellijk in beroep.

Als Gore dit beroep zou winnen, zou bij het doorgaan van het hertellen in de Florida- districten Bush zeker op een achterstand komen, was de inschatting van Baker en de zijnen. Gore zou dan onmiddellijk de overwinning hebben opgeeist en de pr-slag naar zich toegetrokken hebben. Nooit zou Gore ook maar met een stem hebben mogen voorkomen tijdens de dagen van hertelling. Daar was de hele strategie van Bush op gericht.

De Republikeinen pleegden nu verraad aan hun eigen formalistische instelling. Uit Montana werd gouverneur Marc Racicot overgevlogen, een van de grootste juridische talenten van het land en uiteraard een van de vele persoonlijke vrienden van Bush. In een paar dagen tijd werd hij 16 keer uitgebreid geïnterviewd op de nationale televisie. Met een zachte stem keek hij uiteindelijk steevast geëmotioneerd in de camera en dan kwamen vervolgens zijn standaardzinnen: 'Nu weten we hoe ver het campagneteam van de vice-president wil gaan om deze verkiezingen te winnen. Het spijt me vreselijk om dit te moeten zeggen, maar de advocaten van de vice-president zijn een oorlog begonnen tegen de dappere mannen en vrouwen die ons waar ook ter wereld beschermen.'

Vervolgens werd Gore's running mate Joseph Lieberman in een van de belangrijke zondagochtendnieuwsshows door de journalist Tim Russert van NBC aan de tand gevoeld. Russert was een vroeger Democratisch staflid, maar nu een Bush-vriend, die door hem zelfs persoonlijk was gevraagd een van de verkiezingsdebatten voor te zitten. Russert vroeg Lieberman: 'Hoe kan een campagne die als alles overheersend principe 'de intentie van de kiezer' hanteert en die niemand van het kiesrecht wil uitsluiten, zelfs als burgers het verkiezingsbiljet verkeerd hebben ingevuld, nu plotseling wel ons militaire personeel uitsluiten?' De vraag was rechtstreeks afkomstig uit het propagandamateriaal van de Republikeinen.

Lieberman antwoordde dat 'nooit, maar dan ook nooit door ons militairen zullen worden uitgesloten. Die stembiljetten verdienen het voordeel van de twijfel. 'Al' en ik zijn trots op ons leger.' 'Fuck you Lieberman' riepen de Democratische stafleden op Gore's kantoor in koor. Het was de grootste tactische blunder uit die dagen.

Gore had een heel andere strategie moeten volgen en zich niet moeten aanpassen aan de machiavellistische machtsspelletjes waar de elitaire Republikeinen altijd veel beter in zijn geweest, oordeelt Tapper terecht. In essentie ging het in Florida niet om allerlei technische kwesties en juridische procedures, maar om het principe van het individuele stemrecht. In de zwarte buurten zijn talloze burgers tegengehouden om van hun democratisch recht gebruik te maken. Er waren stembureaus die voor ouderen of gehandicapten onbereikbaar waren. Honderden zwarten zijn weggestuurd 'omdat er iets met hun identificatiepapieren niet in orde was.' De activist Jesse Jackson zag dit allemaal, en wilde grote demonstraties organiseren. Gore had de Amerikaanse bevolking moeten mobiliseren in een strijd voor de ware democratie. Dan was Bush niet zo gemakkelijk weggekomen.

In West Palm Beach zouden duizenden geregistreerde Democraten door een verwarrend stembiljet op de ultrarechtse Pat Buchanan hebben gestemd. Bush kon het zich permitteren om te zeggen dat 'West Palm Beach' een Buchanan-bolwerk was, terwijl Buchanan zelf toegaf dat er maar een paar van zijn aanhangers woonden.

Gore was laf, oordeelt Tapper, omdat hij bij al deze leugens wel vraagtekens zette, maar nooit een echte strijd aanging. Altijd maar weer was Gore bang dat demonstraties uit de hand zouden lopen en de stabiliteit van Amerika in gevaar zou komen. Daar wilde deze keurige zoon van het establishment niets mee te maken hebben.

Gore heeft de nederlaag dus aan zichzelf te wijten. Hij vocht een onmogelijke strijd en dat had hij van tevoren kunnen weten. De Bush-vrienden (het grootste politieke netwerk in de Republikeinse partij en daarbuiten) hadden al geruime tijd uitvoerig contact met de vijf conservatieve rechters van het negenkoppige Hooggerechtshof in Washington dat uiteindelijk de doorslag zou geven, zo onthult Tapper.

Ook de persoonlijkheid van Gore heeft een rol gespeeld. Vrijwel alle Republikeinse politici, inclusief de belangrijke gouverneurs, stonden pal achter hun kandidaat. Gore moet zich daarentegen vaak eenzaam hebben gevoeld. Zelfs de voorzitter van de Democratische partij riep midden in de strijd uit dat Gore zich maar beter kon terugtrekken.

Aan het slot van zijn boek houdt Tapper de Amerikaanse bevolking een spiegel voor. 'Niet alleen Gore is schuldig, maar wij falen collectief. Wij accepteren dat kandidaten zich schuldig maken aan pure leugens. Waar is de tijd gebleven dat principes de doorslag gaven? Juist de Republikeinen die altijd zo opkomen voor de rechten van de staten hadden zich neer moeten leggen bij de uitspraak van het Hooggerechtshof van Florida, dat hertellen gebood. Het getuigt van geen enkel principe dat juist zij naar het Hooggerechtshof in Washington stapten waardoor de rechten van de staten zijn geschonden.' Volgens Tapper zal dit inconsequente gedrag de Republikeinen bij toekomstige maatschappelijke discussies nog wel eens opbreken.

Hoe ver Amerika is afgegleden van een fatsoenlijk democratie, blijkt wel uit een opmerking van president Clinton die door Tapper ook nog ten tonele wordt gevoerd. 'Waarom de Republikeinen niet eervol hun verlies accepteerden en bovendien niet gewoon de door Gore voorgestelde 'ruime' tellingmethode van Bush' thuisstaat Texas accepteerden als de standaard in Florida? Omdat ze in ons de duivel zien. Ze haten ons en daarom zijn alle trucs geoorloofd.'

'Deadlock. The Inside Story Of America's Closest Election'

door de politieke staf van de Washington Post

Washington Post Company

Jake Tapper: Down & Dirty.

The Plot To Steal The Presidency'

Little, Brown

 

Terug

 

Tegen het grootkapitaal

Tijdens de vrijhandelstop in Quebec was afgelopen week een heuse muur gebouwd om de actievoerders in toom te houden - kennelijk maakten de deelnemers aan de conferentie zich zorgen. Langzaam maar zeker raakt de antimondialiserings beweging haar marginale en ludieke karakter kwijt.

No Logo, het boek van journaliste en activiste Naomi Klein, is ook buiten de beweging een groot succes en in On the Edge. Living with Global Capitalism, plaatsen zelfs twee economen uit het Britse zakenestablishment vraagtekens bij de opmars van het wereldkapitalisme.

Of dat ook is tegen te houden, is een andere vraag.

De wall of shame was hoog, hoog genoeg om de actievoerders in toom te houden, maar niet om hun stem te smoren. Afgelopen week kwam het tijdens de vrijhandelsbesprekingen in het Canadese Quebec tot rellen, net als twee jaar geleden tijdens de wereldhandelstop in Seattle. Op 1 mei staan er acties in Londen gepland. Steeds harder klinkt het protest tegen de mondialisering, die vooral voor velen in de Derde Wereld een vloek is. De progressieve beweging heeft eindelijk weer een nieuwe internationale opdracht, en haar stem wordt ook steeds beter gehoord. Langzaam maar zeker verliest het protest zijn ludieke en marginale karakter, zoals blijkt uit het feit dat er steeds meer boeken verschijnen waarin vraagtekens gezet worden bij het wereldkapitalisme.

Het is misschien ook tijd. Het is nu ruim tien jaar geleden dat de 'gouden' tijden aanbraken; geen wonder dat het gejuich een beetje begint te verstommen. Hoe klonk het ook al weer, dat gejuich? De wereld werd een dorp, voor de zakenman was het paradijs op aarde aangebroken. Na de val van het communisme veroverde Amerika de wereld. Zelfs in de armste gebieden op aarde drongen definitief merknamen van multinationals door. Opeens kon in een orgie van turbo-kapitalisme via het internet vierentwintig uur per dag met iedere uithoek van de aarde snel en eenvoudig worden gecommuniceerd en dus ook zaken gedaan. Vroeger waren kerken de opvallendste gebouwen in een stad, opeens verrezen overal de kathedralen van de nieuwe business-districten.

En de progressieven? Die stonden erbij en keken ernaar. Hoe Alan Greenspan en Bill Clinton, de kampioenen van de vrijhandel en de interneteconomie, voortaan hand-in-hand de wereld regeerden. Hoe de Dow Jones en de technologie-index Nasdaq de nieuwe financiële wereld reguleerden. Hoe goedkope markten in bijvoorbeeld Azie via vrijhandelsverdragen in recordtijd werden opengebroken, en hoe door Washington gedomineerde instituten als de Wereldbank en het IMF aan deze nieuwe markten de eis stelden om zich naar westers en dus vooral naar Amerikaans model om te vormen alvorens leningen beschikbaar te stellen.

Als elders weer nieuwe markten opdoken of als sociaal-economische problemen als bureaucratisering en inflatie in een land niet gauw genoeg werden aangepakt, werden de geldstromen welhaast van de ene op het andere moment verlegd. Zo werden tal van Aziatische economieën geruïneerd achtergelaten.

De Engelse maatschappijcritici Will Hutton en Anthony Giddens plaatsen in hun interessante discussieboek de nodige kanttekeningen bij dit mondialiseringproces. Pikant is dat zij beiden afkomstig zijn uit het zaken-establishment. Hutton is onderzoeker bij de Industrial Society in Londen en Giddens is directeur van de London School of Economics.

Deze twee economen hebben veel oog voor de sociaal-economische en politieke consequenties van mondialisering. Giddens wijst erop dat de voortschrijdende invloed van de wereldeconomie ook, en zelfs in versneld tempo, technologische vooruitgang in de wereld zal brengen. Europese landen proberen het nog wel tegen te houden, maar enorme hoeveelheden genetisch gemanipuleerde voedselproducten zullen wellicht eerder dan we denken een eind aan de honger in de wereld maken. De toegenomen onderlinge afhankelijkheid van landen zal eerder leiden tot conflictbeheersing.

Wat betreft de 'plotselinge herrijzenis van de Verenigde Staten' constateert Giddens terecht en enigszins cynisch 'dat nog maar enige jaren geleden door velen de ondergang van het Amerikaanse economische model ten faveure van het Aziatische was voorspeld'. Maar met het succes van het Amerikaanse model ziet hij ook tegelijkertijd het probleem dat de val van het communisme heeft achtergelaten. Er is geen tegendruk meer. Het kapitalisme hoeft geen menselijk gezicht meer te tonen. Wanhopig roept hij uit 'dat de wereld nieuwe ideeën nodig heeft en vooral ook nieuwe mondiale regelvorming'.

De meer kritische Hutton is specifieker. Hij ziet een hernieuwde belangstelling voor vakbonden. Zo daalt voor het eerst in twintig jaar in Engeland het aantal leden van vakbonden niet meer. Hij wijst verder op de macht van consumentenorganisaties die tegenwicht kunnen bieden, en op de rol van de staat die zaken als onderwijs, vervoer en infrastructuur in essentie zal blijven regelen. En ideologieën als het christendom en de islam zijn nog altijd bij machte het kapitalisme op z'n minst te beïnvloeden.

Toch zijn beiden het erover eens dat iedereen die zich blijft verzetten tegen het nieuwe kapitalisme en de mondialisering uiteindelijk naar de rand van de aarde zal worden geduwd en misschien zelfs wel er overheen. 'Het proces is niet meer te stoppen. Beangstigend is dat we het niet goed kunnen voorspellen, omdat we nu in een nieuwe fase zijn beland.' In arren moede adviseren beide schrijvers voorlopig maar vast te houden aan de Derde Weg-ideologie, een vage mix van vroegere politieke ideologieën met een sterk beperkte en slechts enigszins corrigerende rol van de staat.

In No Logo is Naomi Klein veel radicaler. In een vlotte, soms ook humoristische stijl schrijft deze journaliste uit Toronto veel uitvoeriger over de negatieve kanten van de globalisering en met name over de verderfelijke invloed van de multinationals. Klein is onderzoekend en biedt briljante doorkijkjes in onze nieuwe wereld. Geen wonder dat No Logo, dat oproept tot actie, inmiddels het handboek voor de anti-globaliseringsbeweging is geworden. Het is inmiddels in tien talen vertaald en op de gelijknamige web site wordt voortdurend gediscussieerd. Als virtueel actiecentrum heeft de website onder meer een belangrijke rol gespeeld bij de recente acties van milieuactivisten tegen de Duitse kerntransporten.

Klein beschrijft hoe nieuwe multinationals als Nike, Walmart, Microsoft en Tommy Hilfiger met hun kolossale marketingbudgetten op al of niet subtiele wijze steeds dieper penetreren in het sociale en culturele leven en dus het dagelijks leven van de wereldburger. Neem Baby Gap, dat als strategie heeft om kleuters om te turnen tot levende reclameborden. Zelfs op kinderwagens moet hun logo staan. Geen wonder dat steeds meer kinderen vanaf zes jaar al geen merkloze artikelen meer willen hebben.

Een van de meest verontrustende ontwikkelingen vindt Klein de bedrijfssponsoring van scholen. 'Pepsi' is slechts een voorbeeld van een bedrijf dat studenten lokt voor 'gratis' stageplaatsen voor marketing, reclame en andere promotionele activiteiten. Op een school in Georgia werd een scholier geschorst omdat hij het waagde een T-shirt te dragen met een 'Pepsi'-logo op een officiële 'Coca-Cola'-dag.

Bedrijven overschrijden de traditionele grenzen steeds verder. Ook de media wereld wordt beheerst door het corporatieve winstdenken. Illustratief is het Disney-concern dat landelijk mediaconglomeraat ABC heeft opgekocht en via die organisatie films en cartoons promoot. Als ABC vervolgens een documentaire wil maken over de veiligheid van pretparken mag die geen negatief nieuws over Disney bevatten. Een soortgelijk geval is het feit dat de New York Post de afgelopen weken opvallend weinig meldde over het Amerikaanse vliegtuigincident in China. Eigenaar Rupert Murdoch heeft grote zakelijke belangen in dat land.

Het zakenleven regeert de wereld. Steeds kleiner wordt de privé-ruimte van de burger, die eigenlijk geen burger meer is, maar consument. Het milieu is inmiddels zo verontreinigd dat zelfs gezond water en frisse lucht schaars zijn geworden waardoor op korte termijn geprivatiseerde energiebedrijven overal op 'onze' aarde deze 'producten' zullen verkopen. Mensen moeten er alleen nog even aan wennen.

Niets is volgens Klein nog veilig. Zelfs moederliefde wordt mondiaal geëxploiteerd en dus gecommercialiseerd. De Filippijnse gouvernante in San Francisco moet daar voor surrogaatmoeder spelen omdat de biologische ouders carrière moeten maken om te kunnen consumeren. Het valt de ouders op hoe liefdevol en teder zij met de kinderen omgaat 'alsof het haar eigen kinderen zijn'. Ze is ook spaarzaam. Van haar voor Amerikaanse begrippen lage salaris stuurt ze een groot deel terug naar Manilla, waar haar kinderen weer worden verzorgd door een oppas die het armoedige platteland is ontvlucht. En zij stuurt weer geld naar het dorp waar haar zusters h r kinderen verzorgen.

Klein heeft zelf op de Filippijnen gewoond, een land waar bedrijven als Nike op grote schaal gebruik maakten van kinderarbeid. Juist omdat zoveel geld naar reclame en marketing gaat, wordt sterk bezuinigd op arbeidskosten. De meeste werknemers zijn in tijdelijke dienst, zodat direct kan worden gereageerd op schommelingen in de markt. De productiekosten van sportschoenen liggen op zo'n 16 dollar, terwijl ze voor meer dan 100 dollar verkocht worden in de rijke landen.

Ook de Amerikaanse dienstensector ontsnapt niet aan de noodzaak van kostenbesparende maatregelen. Veel werknemers krijgen het minimuminkomen en zijn aangenomen voor iets minder dan veertig uur per week zodat ze net niet in aanmerking kunnen komen voor de rechten van een werknemer met een volledige baan. Klein wijst bijvoorbeeld op Microsoft, dat de inkomsten de afgelopen jaren heeft zien groeien met 91 procent maar een recordaantal mensen in tijdelijke dienst heeft.

Maar ondanks alles ziet Klein nog hoop voor de toekomst. Sinds 1995 is er een Reclaim the Streets-tegencultuur ontstaan. Een bonte mix van antibusiness activisten, radicale milieuactivisten en 'New Age'-artiesten weet elkaar via het internet te vinden. Op 18 juni 1999 waren er in zeventig verschillende steden gelijktijdig massademonstraties in het kader van 'een wereldwijd carnaval tegen het kapitalisme'.

En er worden resultaten geboekt, vooral omdat een bezoedeld imago en de daaruit soms voortvloeiende consumentenboycot de grootste nachtmerrie zijn van elke multinational. Nike's kinderarbeidpraktijken hebben alleen al in Noord-Amerika geresulteerd in duizenden nieuws- en opinieartikelen. Het aandeel daalde sterk. Inmiddels betaalt Nike haar werknemers in Indonesië al 65 dollar per maand, terwijl het gemiddelde inkomen er 34 dollar is, en heeft het concern zichzelf een strenge gedragscode opgelegd die door steeds meer bedrijven wordt gevolgd of soms zelfs verbeterd. Heineken heeft zich teruggetrokken uit Birma vanwege kritiek op de steun aan de militaire junta daar. En Unilever heeft beloofd vanaf 2005 alleen nog maar vis te kopen van bedrijven die op milieuverantwoorde wijze werken.

De Verenigde Naties heeft onlangs Global Compact gelanceerd, een programma waarbij 44 multinationals samenwerken met vakbonden en mensenrechten- en milieuorganisaties, op basis van negen principes waaronder afschaffing van kinderarbeid en de toepassing van milieuvriendelijke technologieën. Ieder jaar zullen zij op de speciale internetsite een voortgangsreportage verzorgen. Maar sceptici als Greenpeace beschouwen dit als een slimme poging van het grootkapitaal om zich te hullen in de blauwwitte kleuren van de Verenigde Naties.

Klein gelooft vooral in een mobilisering van de massa via een wereldwijd netwerk aan 'grass-roots'-organisaties. 'Misschien zie je het nog niet aan de oppervlakte, maar ondergronds woedt een veenbrand. Er is een onzichtbare keten van actiegroepen aan het ontstaan.' Neem 'the Ruckus Society' in Californië die actievoerders in trainingskampen opleidt in geweldloze obstructietechnieken. Je leert er knopen leggen in touwen waarmee je je vervolgens kunt vastbinden aan de hekken en de wolkenkrabbers van de zakenwereld.

Alternatieve reclamebureaus, opgezet door kunstenaars, zijn ook een populair middel. Uit die kringen komt het billboard van 'Joe Camel' die is getransformeerd in 'Joe Chemo' liggend aan de beademingsapparatuur. De stad Vancouver werd onlangs met succes onder druk gezet door actiegroepen om voortaan contracten te gunnen aan Chevron in plaats van aan Shell, dat immers banden had met het corrupte bewind van Nigeria. Probleem was echter dat al gauw bleek dat Chevron zich aan dezelfde praktijken schuldig maakte.

Naomi Klein heeft een sympathiek boek geschreven. Haar ultieme doel is 'solidariteit tot stand te brengen tussen de teenagers van de Eerste Wereld en de onderdrukte kinderen van de Derde Wereld'. Alleen zo kan in haar ogen in de toekomst de grote macht van het internationale bedrijfsleven nog worden bestreden.

Maar impliciet geeft zelfs de strijdvaardige Klein toe dat het moeilijk wordt het tij nog echt te keren. Internet is voor de anti-mondialiseringsbeweging bijvoorbeeld een machtig wapen, maar ook daar, zo blijkt uit No Logo, wordt vrijheid steeds verder ingeperkt. Een groot bedrijf als America Online controleert allang discussiegroepen en ongewenste onderwerpen worden zonder pardon verwijderd door het speciaal ingestelde 'Community Action Team'. Op het internet is de strijd net begonnen. De tegenbeweging is strijdvaardig en inventief, maar de kinderschoenen nog maar net ontgroeid. Voorlopig heeft de mondialisering een flinke voorsprong.

Will Hutton, Anthony Giddens: On the Edge. Living with Global Capitalism. Random House (imp. Nilsson & Lamm)

Naomi Klein: No Logo. Flamingo, (imp. Nilsson & Lamm)

Terug

 

 Zwijgen als wapen

DE VERENIGDE STATEN hebben beslist kleurrijke en krachtdadige ministers van Buitenlandse Zaken gehad. Warren Christopher, minister tijdens Clintons eerste ambtstermijn, steekt daar in de beeldvorming schril tegen af. Hij leek een grijze muis.

Uit zijn memoires komt hij naar voren als een heel andere politicus. Samen met zijn baas presenteert hij zich opvallend onbescheiden als de ijverige architect van het nieuwe Europa. En inderdaad, niemand was meer geschikt het aloude Amerikaanse principe 'speak softly and carry a big stick' te concretiseren.

Christopher legt uit hoe hij 'het zwijgen' heeft gecultiveerd als wapen in de internationale diplomatie. 'In mijn jeugd leerde ik iets wat later mijn handelsmerk werd: hoe meer je luistert, hoe meer mensen je vertrouwen. (. . .) Ik leerde ook dat mensen zwijgen opvatten als wijsheid, zelfs als zwijgzaamheid gewoon betekende dat ik ergens niets van af wist.'

In de onoverzichtelijke wereld van het post-Koude Oorlogtijdperk was Christopher voor de op buitenlands politiek terrein onervaren maar wel geïnteresseerde Clinton de ideale steun en toeverlaat. De ervaren diplomaat hoorde alle hoofdrolspelers op het wereldtoneel uitvoerig uit en rapporteerde meteen aan zijn baas.

Sommigen waren absoluut niet te vertrouwen. Jeltsin kon in een dronken bui van het ene op het andere moment een uitonderhandeld compromis intrekken. En Milosovic was een 'dronkelap', die Christopher in onderhandelingen 's morgens vroeg al onder de tafel probeerde te drinken. 'Balkan-leiders zijn over het algemeen volstrekt onbetrouwbaar' berichtte hij aan Washington. 'Iedere mogelijke politieke doorbraak tijdens onderhandelingen wordt tenietgedaan door oeverloze historische uiteenzettingen die teruggaan tot de Middeleeuwen.'

In 1995 moesten de VS het heft in handen nemen. De Europese leiders waren niet in staat, ondanks alle mooie beloften, het Balkanconflict op te lossen. Christopher en Clinton zaten in een moeilijk pakket. Invloedrijke figuren op Defensie en binnen het leger, zoals de voorzichtige Colin Powell, waren vanwege hun Vietnam-syndroom tegen al te veel bemoeienis. En een meerderheid van het Congres en het publiek was ook al afkerig van interventie.

Christopher schrijft dat Clinton en hijzelf eerder hadden moeten inzien dat niets te verwachten viel van met name de Europese bondgenoten. Srebenica had de ogen van de Amerikanen geopend. De Amerikaanse president trok het zich persoonlijk aan en verplichtte zich een 'vrijhaven' als Gorazde te beschermen. Toen Servische Bosniërs op 28 augustus een markt in Serajevo aanvielen waarbij 37 burgers werden afgeslacht, begonnen de Navo-luchtaanvallen.

In de NAVO vonden de VS vooral bondgenoten in de 'hondstrouwe' Britten. De 'anti-Amerikaanse' Fransen daarentegen voerden doorlopend obstructie als het bijvoorbeeld ging om de Amerikaanse wens de NAVO met drie Oost-Europese landen uit te breiden.

Een vergroot Navo-Europa onder Amerikaanse leiding was het nieuwe gebouw van de architecten Clinton en Christopher. De te benoemen politieke baas van dat bondgenootschap moest per traditie een Europeaan zijn en Christopher keurde de kandidaten. Ruud Lubbers werd door hem al gauw te licht bevonden. En ook Clinton liet Lubbers vallen, in het volle besef dat 'de hel zou uitbreken in Nederland'.

Christopher mag Europa van collectieve slapte beschuldigen, het eenzijdige Amerikaanse buitenlandbeleid - waarbij zelfs Europese bondgenoten steeds minder worden geconsulteerd - is ook illustratief voor de arrogantie van supermacht VS. Het is niet fair dat de Amerikanen Lubbers als de Europese kop van jut hebben behandeld. Vanwege de grotere en eigen verantwoordelijkheid die Europese landen, waaronder zeker ook Nederland, de laatste jaren op zich nemen bij Europese en mondiale vredesoperaties, zijn de contouren van een meer zelfstandig Europees buitenlandbeleid steeds meer zichtbaar.

Het zou daarom heel goed kunnen dat Lubbers in Washington juist overeind is gebleven. Hij had gewoon geen zin als fanatieke zetbaas voor de VS te functioneren. Voor de Amerikanen was hij te veel een representant van een nieuwe, ontluikende Europese identiteit.

Warren Christopher, Chances of a lifetime, a memoir. Uitgeverij Scribner,

 

Terug

 

Clinton moet Congres nog zijn laatste flater uitleggen

Waarom gaf president Clinton vlak voor zijn aftreden megaoplichters gratie? Volgens amerikanist Willem Post zijn er twee Clintons: the good guy en the bad guy.

LETTERLIJK IN de laatste minuten van zijn presidentschap heeft president Clinton drugshandelaren (zijn eigen broer!), belastingontduikers en andere megaoplichters gratie verleend. Clinton verdedigt zich onder meer door te zeggen dat het in sommige gevallen ging om verouderde wetgeving. Ook zijn volgens hem in de VS de straffen voor mensen die voor de eerste keer de narcoticawetgeving hebben overtreden, te hoog. In zijn verdedigingsartikel van vorige week in The New York Times schrijft Clinton verder dat hij zich op geen enkele wijze heeft laten beïnvloeden door de ruimhartige geld donaties aan Hillary's Senaatscampagne en zijn museumbibliotheek in Little Rock.

In het geval van meesterbelastingontduiker Mark Rich merkt Clinton vol bewondering op dat deze in Antwerpen geboren joodse zakenman de laatste jaren zo veel geld heeft geschonken aan charitatieve instellingen in Israel en Europa. Daarmee wordt de suggestie gewekt dat deze meest gezochte Amerikaanse vluchteling een brave weldoener is geworden. Niemand minder dan Ehud Barak en Lea Rabin hebben voor de nu in Zwitserland wonende Rich gelobbied. Zelfs Nobelprijswinnaar en Auschwitz-overlevende Elie Wiesel heeft men in het Rich-offensief proberen in te zetten.

Cocaïnenetwerk

Dit soort argumenten snijdt geen hout. In een fatsoenlijke rechtsstaat geldt het principe van de rechtsgelijkheid. Een berooide zwarte wetsovertreder zou een dergelijke publiciteitscampagne nooit hebben kunnen lanceren en al gauw voor 'honderden' jaren in de cel belanden. Neem bijvoorbeeld ook de nu door Clinton 'bevrijde' Carlos Vignali, zoon van een schatrijke Argentijnse immigrant die ruimhartig aan de de Democratische partij heeft gedoneerd (en aan de broer van Hillary). Hij is de spil in een cocaïnenetwerk. Zijn ondergeschikten zullen nog wel jarenlang in de cel moeten blijven zitten.

Het Clinton-kamp heeft moeten toegeven dat de broer en de zwager van de president, Hugh Rodham, zich persoonlijk hebben ingezet om gratie te verkrijgen voor hun relaties. Dit is een ongehoord staaltje van verstrengeling van zakelijke, politieke en familiebelangen.

Clintons verdediging rammelt ook op een ander punt. Clinton zegt dat hij zeer zorgvuldig te werk is gegaan. Iedere Amerikaanse president heeft in het verleden gratie verleend, waarbij het uitdrukkelijk de bedoeling van de grondwetmakers is geweest dit slechts in uiterste instantie te doen en dan alleen als een grote onredelijkheid valt te bespeuren. Of als maatschappelijke ontwikkelingen een ander zicht hebben gegeven op de rechtsgang, zoals Alexander Hamilton uitvoerig beschrijft in de Federalist Papers.

De gangbare procedure is dat eerst het ministerie van Justitie een uitgebreid nieuw vooronderzoek doet op verzoek van de president, waarbij dan eventueel nieuwe feiten aan het licht kunnen komen. Zo zijn alle gratieverleningen onder Clintons Democratische voorganger Jimmy Carter voorbereid.

De Republikeinen ruiken bloed. Waarom geeft de bibliotheek in Little Rock de lijsten van financiële donors niet vrij? Waarom beroepen Clintons topmedewerkers zich op hun zwijgrecht ? Serieuze kranten als The Washington Post maar ook tabloids als The National Enquirer hebben allen tezamen een leger van onderzoeksjournalisten op 'Pardongate' gezet. De onderste steen zal boven komen.

De kans lijkt steeds groter dat de onderzoekscommissies in het Huis en de Senaat worden samengevoegd en dat een speciale aanklager zal worden benoemd. Deze nieuwe 'Kenneth Starr' kan de gratieverleningen niet ongedaan maken, maar in het uiterste geval Clinton wel korten op zijn pensioen en andere ex-presidentiele emolumenten.

Zo ver hoeft het niet te komen als Clinton besluit, net als president Ford na zijn discutabele gratieverlening in 1975, vrijwillig naar het Congres te komen om tekst en uitleg te geven. Blijven we nog zitten met de vraag hoe een intelligente politicus als Clinton zo stom kon zijn om zijn eigen naam zo te bezoedelen.

Bij het analyseren van Clintons psyche ontkomen we er niet aan even terug te keren naar zijn jeugd. Clinton is opgegroeid in een eenoudergezin dat werd geteisterd door alcoholisme, gokverslaving, gewelddadigheid en drugsgebruik. De jonge Bill werd een surrogaatvaderfiguur die vaak moest lijmen, maar ook flink moest optreden, bijvoorbeeld toen zijn moeder in elkaar werd geslagen door zijn stiefvader. Hij heeft het heel erge gezien en hunkerde des te meer naar het heel goede.

Een van Clintons beste biografen, David Maraniss, schreef al jaren geleden dat er eigenlijk twee tegengestelde Bill Clintons zijn die je niet van elkaar kunt scheiden. 'Op het ene moment zie je die fantastische Bill die ieders hart steelt. Die geweldige vent met tranen in de ogen die echt begaan is met het lot van de allerzwaksten. Maar een seconde later is er de zondaar die zich aangetrokken voelt tot macht, die de grenzen van de wet wil verkennen.'

Ik geloof heel erg in die typering van Maraniss. We zien nu weer even de donkere kant van Clinton. De afgelopen jaren heeft hij talloze schandalen overleefd. Hij is de meest vernederde president uit de Amerikaanse geschiedenis.

Lewinsky-dagen

En toch, waar hij kwam, of het nu de zwarte wijk Harlem of het verre Vietnam was, overal werd hij binnengehaald als een rockster, als een nieuwe Elvis Presley. Vriend en zelfs politieke vijand noemen zijn bijzondere charisma. Zelfs tijdens de donkerste Lewinsky-dagen, toen vrijwel iedereen de president had verlaten, bleven zijn populariteitscijfers onveranderd hoog.

Heeft dit hem onkwetsbaar gemaakt? Staat hij boven de wet? Dacht Clinton in de laatste minuten van zijn presidentschap aan de strijd die hij zelf heeft moeten voeren tegen zijn welhaast hysterische achtervolgeronderzoekers ?

Misschien moet Clinton ook op deze vragen maar eens antwoord geven als hij binnenkort in het Congres verschijnt. Nu is het initiatief nog aan hem en kan hij het vrijwillig doen. Hij is zo'n gang naar het Congres alleen al verplicht aan al die miljoenen Amerikanen die ondanks alles altijd achter hem zijn blijven staan. Tot de laatste minuut van zijn presidentschap.

Terug

 

Bush verdient wantrouwen

George W. Bush verdient een kans, schreef historicus Ruud van Dijk zaterdag op deze pagina. Amerikanist Willem Post las zijn verhaal en dacht: wat zullen we nou krijgen! 'Bush is met handen en voeten gebonden aan de zeer conservatieve vleugel van de Republikeinen, voor wie het ideale Amerika een cocktail is van zeg maar Staphorst, Bloemendaal en Wassenaar.'

MEER EN meer columnisten en commentatoren in ons land opperen de laatste tijd dat het misschien toch wel zal meevallen met die Bush in het Witte Huis. Er zijn erbij die suggereren dat de Nederlandse media te veel anti-Bush zijn geweest. In deze krant schreef historicus Ruud van Dijk zaterdag zelfs dat we George W. toch echt een kans moeten geven. Volgens Van Dijk heeft Bush heus wel een sociaal geweten.

De zorgen over de buitenlandse politiek van Bush zijn ook overdreven, vindt hij; de nieuwe president heeft bekwame mensen om zich heen verzameld. Geruststellend schrijft Van Dijk: 'Vergeleken met een jaar geleden weet hij er veel meer van. (. . .) Bovendien moeten we niet vergeten dat dezelfde zorgen acht jaar geleden bestonden over Bill Clinton, die tijdens zijn campagne misschien nog wel minder aandacht had voor de buitenwereld.'

Hoe weet Van Dijk dat allemaal? Op zijn universiteit in Milwaulkee zit hij net zo ver van Bush af als ik hier, in het 'verre' Nederland. Of heeft hij een jaartje in de nabijheid van Bush meegelopen in de campagne? Daar geloof ik niks van. Ik ben het dan ook volstrekt oneens met Van Dijk. Bush verdient ons wantrouwen ten volle.

Ook ik vind dat iedere politicus van een democratische partij bij zijn aantreden het voordeel van de twijfel moet krijgen. Zo hadden we gerust het Witte Huis kunnen overlaten aan de vorige presidentskandidaat van de Republikeinen, de gematigde Bob Dole. Maar aan het belangrijkste politieke ambt op aarde moeten zeer hoge eisen worden gesteld. Intelligentie is niet voldoende, maar wel mooi meegenomen. En Dole had ook nog eens ruim voldoende ervaring om het Witte Huis te betreden.

Nu ligt dat anders. George W. Bush is het product van het good old boys system van de schatrijke Texaanse oliebazen. Hij is met handen en voeten gebonden aan deze zeer conservatieve vleugel van de Republikeinen, voor wie het ideale Amerika een cocktail is van zeg maar Staphorst, Bloemendaal en Wassenaar.

De nieuwe president komt zelf ook uit een schatrijke oliefamilie. Pa Bush was in de jaren vijftig 'de vader van het off-shore olieboren'. De Bush-dynastie is inmiddels het establishment binnen de Republikeinse Partij. En vanuit die machtspositie is het haar gelukt nu al meer dan een jaar de conservatieve vleugel de mond te snoeren. Als zoenoffer hebben de rechtse Republikeinen onlangs de aartconservatieve senator John Ashcroft als nieuwe minister van Justitie gekregen. Dat is een groot geschenk omdat een minister van Justitie in de Verenigde Staten veel meer macht heeft dan bij ons. Bijvoorbeeld bij benoemingen en het interpreteren van de grondwet bij maatschappelijke issues zoals abortus en wapenbezit.

Geen politiek anker

George W. Bush, naar eigen zeggen tot zijn veertigste een flierefluiter, is door het partijkader uitverkoren omdat hij behalve naamsbekendheid en geld aantrekkend vermogen de zonnige glimlach van de golfbaan heeft. Bovendien had Bush geen politiek anker. Met George W. kon je alle kanten uit. Tijdens de voorverkiezingen was Bush meestentijds gematigd, maar toen het eropaan kwam en zijn tegenstander John McCain te gevaarlijk werd, toonde hij opeens zijn harde, rechtse gezicht.

We moeten ook de Amerikaanse verhoudingen niet uit het oog verliezen. In het Nederlandse politieke spectrum zou de Democraat Al Gore een rechtse VVD'er zijn. Een conservatieve Republikeinse politicus staat daar nog mijlenver vandaan, zelfs rechts van een Janmaat als het gaat om zaken zoals verwaarlozing en dus discriminatie van minderheidsgroepen. In een laatste peiling zei maar vier procent van de zwarte Amerikanen erop te vertrouwen dat Bush de juiste persoonlijke eigenschappen heeft om president van de Vernigde Staten te zijn.

Natuurlijk hebben we nu het beeld voor ogen van het verbroederingsritueel van de inauguratie. Bush hield zaterdag een gematigde rede, maar een veeg teken is dat zijn aanhangers alleen maar klapten toen hij sprak over plannen voor extreme belastingverlagingen die vooral ten goede komen aan de rijkste Amerikanen, en strenge antimisdaadwetgeving.

Natuurlijk, er draafde een bevriende zwarte dominee op die het gebed mocht uitspreken. Het zag er allemaal prachtig uit. We zagen een traan bij de vader en de zoon. En binnenkort zullen we Bush in een soort van nationaal helingsproces ook wel de sloppenwijken van een grote stad zien binnentrekken om daar handjes te schudden en mooie woorden te spreken.

Bush is zeer goed in zo'n charmeoffensief. Hij zal een warme deken over de VS leggen. Maar mag ik Van Dijk en de nieuwe Bush-fans in de Nederlandse media uitnodigen zelf eens langs de Texaans-Mexicaanse grens te reizen, waar minderheidsgroepen wonen in sloppenwijken op door de olie-industrie zeer verontreinigd gebied.

De sterke benoemingen die Bush heeft gedaan, zijn geen bewijs van zijn grote wijsheid maar veeleer noodgedwongen, omdat hij zelf een onervaren lichtgewicht is. Het gouverneurschap van Texas is vooral een ceremoniele functie. En daarbij had Bush nog het geluk dat hij mooi kon samenwerken met conservatieve Democraten die wel heel dicht bij de Republikeinse agenda stonden.

Texas is de laatste jaren in feite bestuurd door de Democratische ondergouverneur, de aan alcohol verslaafde en aan driftbuien lijdende machiavellist Bob Bullock. Hij zag in Bush 'een geadopteerde zoon'. Een brave jongen met wie je zaken kon doen.

Een nieuwe Reagan

In het nieuwe Washington zal Bush in zekere zin een nieuwe Reagan worden. Spontaan discussieren, zoals Kennedy en Clinton graag deden, is er niet meer bij. Als een kindkoning zal Bush in bescherming worden genomen. Er komen amper echte persconferenties en alles zal tot in de puntjes worden geregisseerd.

Op binnenlands terrein kan de schade meevallen, omdat het Congres verdeeld is en daar allerlei compromissen gesmeed moeten worden. De afgevaardigden van het Huis van en de senatoren hebben een grote invloed en de president kan wat dat betreft veel delegeren aan zijn ministers en bevriende partijgenoten op Capitol Hill.

Maar op het terrein van de buitenlandse politiek lopen we met Bush echt risico's. In de laatste jaren van zijn presidentschap heeft Clinton nadrukkelijk de lijnen uitgezet. Tegen de zin van een meerderheid van de Amerikaanse bevolking in, heeft hij uiteindelijk toch troepen gestuurd naar de Balkan, met als resultaat een relatieve stabiliteit in deze regio. Clintons initiatieven leverden verder een voorlopige doorbraak in Noord-Ierland en een verzoeningsreis naar Vietnam op. De Midden-Oosten-uitgangspunten die Clinton na honderden uren van persoonlijke diplomatie heeft geformuleerd in een vrijwel uitzichtloze situatie, hebben in elk geval gezorgd voor beweging aan het diplomatieke front.

Toen Clinton president werd, was hij een onervaren plattelandsgouverneur. Maar hij was als anti-Vietnam-actievoerder al sinds de jaren zestig zeer geïnteresseerd in het buitenland. Hij studeerde internationale betrekkingen in Washington en volgde colleges in Oxford.

Voor het binnenland is het niet zo erg dat de VS nu de nieuwe (schaduw)president Cheney hebben, maar het buitenland verwacht van de nieuwe leider van de VS persoonlijke initiatieven en het vermogen een diplomatiek proces af te ronden. Bush is nog nooit bij een intellectuele buitenlanddiscussie betrokken geweest. Hij heeft nooit specifieke interesse getoond. Zou hij eigenlijk wel weten wie de baas in Nederland is?

Wat hij vast wel weet, is dat Nederland een socialistisch land is en dat het liberale Amsterdam het 'Sodom en Gomorra' van de westerse wereld is. Redenen genoeg dus om ons zorgen te maken, en dan schrijf ik nog maar niet verder over de olieboringen in de schitterende natuur van Alaska, waar Bush zo'n hartstochtelijk voorstander van is.

  

Terug