1997
2008 • 2007 • 2006 • 2005 • 2004 • 2003 • 2002 • 2001 • 2000 • 1999 • 1998 • 1996 • 1995 • 1994 • 1993 • 1992 •
| Go west, young man, go west! De avonturen van Lewis, Clarke en Ambrose | Stephen E. Ambrose: Undaunted Courage | 23-08-1997 |
| Amerikaanse jury-uitspraak terugbrengen tot een advies |
04-11-1997 |
|
| Het plan was een reddingsboei voor een zinkende drenkeling | 24-05-1997 | |
| Dick Morris, de geheime strateegachter Clintons come-back | Dick Morris: Behind the oval office; Winning the presidency in the nineties | 14-03-1997 |
Amerikaanse jury-uitspraak terugbrengen tot een advies
AAN HET Amerikaanse jurysysteem ligt een aantal prachtige democratische principes ten grondslag. De jury is een waarborg voor de individuele vrijheid tegenover machtsmisbruik van de overheid en de van de regering te afhankelijke rechterlijke macht. Waar de rechter de straf bepaalt, oordelen de gezworenen over het al of niet schuldig zijn.
Bij het beslissen over de schuldvraag is de jury niet gebonden aan voorschriften betreffende het bewijs. Zij moet slechts te rade gaan bij haar innerlijke overtuiging. Haar uitspraken hoeft zij dan ook niet te motiveren. Het is de stem des volks die spreekt zoals die voortkomt uit het geweten van de Amerikaanse burger.
Een belangrijk deel van de Amerikaanse rechtspraak is dus gegrondvest op een diep gewortelde moraliteit. Maar het juridische systeem houdt onvoldoende rekening met allerlei praktische consequenties die voortvloeien uit een veranderende, moderne maatschappij.
Ik denk daarbij vooral aan de technologische ontwikkelingen op diverse gebieden binnen onze ingewikkelde samenleving die door amateurjuryleden niet goed op hun juiste waarde kunnen worden geschat.
Neem het O.J. Simpson-proces waarbij allerlei getuigen-deskundigen verschillende interpretaties gaven van gecompliceerde laboratorium-onderzoeken zoals bijvoorbeeld die van DNA-materiaal. Of de huidige, geruchtmakende rechtszaak rond het au-pairmeisje Louise Woodward waarbij de juryleden gedurende drie en een halve week diverse medici te zien en te horen kregen die zeer uiteenlopende conclusies trokken uit ingewikkelde medische onderzoeken.
Zo waren de artsen van het gerenommeerde 'Boston Children's hospital' van mening dat de schedelbasisbreuk van baby Matthew Eappen wel degelijk was ontstaan op 4 februari, de dag waarop hij bewusteloos was geraakt, terwijl de befaamde patholoog van Nederlandse afkomst, Jan Leestma uit Chicago, daarentegen oordeelde dat de wonden weken eerder waren aangebracht.
En dus, zo suggereerde de verdediging vervolgens, was er wellicht een geschiedenis van kindermishandeling door de ouders aan vooraf gegaan.
In dit scenario was Louise eenvoudig op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Het betoog van Leestma maakte op vriend en vijand indruk en zorgde, zoals nu ook blijkt uit verklaringen van de juryleden achteraf, voor de nodige verwarring binnen de juy.
De rechter in het Louise Woodward-proces, Hiller B. Zobel, heeft in juli 1995 in het American Heritage Magazine al eens zeer kritische woorden geschreven over de rol van juryleden in een modern strafproces: 'Wij verwachten van leken dat zij gedurende dagen en weken bewijsmateriaal in zich opnemen, over onderwerpen waar zij op geen enkele manier mee bekend zijn. Zij worden bovendien geacht dit te doen zonder enige verdere uitleg, zonder verduidelijking, en zonder zelfs maar in de gelegenheid gesteld te worden om aantekeningen te maken of vragen te stellen. Wellicht moeten we ons afvragen of de jury in staat is om de waarheid naar boven te halen'.
Aan het eind van zijn artikel vraagt Zobel zich zelfs af of het jurysysteem zo onbetrouwbaar is dat het maar beter kan worden afgeschaft.
Ook past het jurysysteem niet meer bij onze open communicatie-maatschappij. De camera's in de rechtszaal, rechters, advocaten en openbare aanklagers die vaak dramatische rollen gaan spelen, het feit dat de openbare aanklagers politiek gekozen worden en dus geneigd zijn om op zeer professionele wijze het volksgevoel te bespelen met forse eisen, het zijn allemaal elementen die niet passen in een modern, rechtvaardig rechtssysteem.
Men kan de verdediging van Louise Woodward beschuldigen van een tactische fout doordat ze niet inging op de compromismogelijkheid van erkenning van doodslag zonder opzet, terwijl haar nu bij gebrek aan een in de ogen van de jury geloofwaardig alternatief moord ten laste is gelegd.
In het eerste geval zou Louise, na acht maanden hechtenis en gerelateerd aan eerdere jurisprudentie, een goede kans hebben gehad op ontslag uit de gevangenis en had zij al in het vliegtuig naar Engeland kunnen zitten. Maar hier staan veel hogere principes op het spel. Louise heeft zich niet willen verlagen tot een impliciete of expliciete erkenning van schuld en dat pleit voor haar.
Tot nu toe hebben juryleden in de publiciteit unaniem verklaard dat zij onvoldoende bewijs zagen voor moord, maar daartegenover durfden zij een vrijspraak in deze emotionele zaak niet voor hun rekening te nemen.
Zobel heeft al drie keer eerder in zijn carrière een uitspraak van een jury naast zich neergelegd. De ervaren rechter staat bekend als een onafhankelijk denker. Het is te hopen dat hij vandaag tijdens de hoorzitting de moed heeft een 'bange' jury te corrigeren, die uiteindelijk toch heeft moeten kiezen op grond van tegenstrijdig bewijsmateriaal en daarbij volgens maar liefst tachtig procent van de Amerikanen fout heeft gekozen.
Een lagere straf en zeker een vrijspraak zou de rust voor even terugbrengen in de toch al sinds het O.J. Simpson-proces veel bekritiseerde juridische wereld in de V.S. Amerikanen zijn over het algemeen buitengewoon trots op hun nog, relatief gezien, jonge rechtssysteem. En het valt dan ook zeker niet te verwachten dat er op korte termijn een consensus zal zijn voor ingrijpende veranderingen.
Gezien de vele nadelen zou het echter verstandiger en uiteindelijk ook rechtvaardiger zijn wanneer een juryuitspraak slechts de status krijgt van een advies. De onafhankelijke rechter kan dit dan in zijn besluitvorming meenemen als een van de (belangrijke) overwegingen. De Amerikanen hebben de juryrechtspraak destijds afgekeken van Europa, waar veel landen het inmiddels terecht beschouwen als een achterhaald systeem.
Het Amerikaanse juridische systeem houdt onvoldoende rekening met allerlei praktische gevolgen, aldus de auteur en Amerika-deskundige Willem Post. Ook in de rechtszaak tegen de Britse au pair Louise Woodward zou het beter zijn als de juryuitspraak slechts een zwaarwegend advies aan de rechter zou zijn.
Go west, young man, go west! DE AVONTUREN VAN LEWIS, CLARKE EN AMBROSE
Montana wordt ook wel big sky county genoemd, een oneindige vlakte waar de Rocky Mountains plotseling opdoemen, als een onneembare vesting. Op de spaarzame binnenwegen kom je soms urenlang niemand tegen; zo nu en dan is een eenzame paardenranch de enige herinnering aan de bewoonde wereld. Dorpjes en steden zijn er niet.
Toch is het er dit jaar drukker dan normaal. De campings van de staatsparken zijn voller en volgens officiele cijfers is het toerisme zelfs met vijftien procent toegenomen. Belangrijkste verklaring is het nieuwste boek over de mythische Lewis & Clark-expeditie van een van Amerika's meest toonaangevende historici: Stephen Ambrose, kritische biograaf van onder meer Richard Nixon en Dwight Eisenhower.
Deze tocht wordt door veel Amerikanen beschouwd als het grootste avontuur uit de Amerikaanse geschiedenis. Op 4 juli (onafhankelijkheidsdag!) 1803 begon de expeditie, maar juist op die dag werd bekend dat het Amerikaanse grondgebied was verdubbeld door de aankoop van Louisiana van de Fransen. Tot die dag was Mississippi de westgrens van Amerika.
Deze befaamde Louisiana Purchase was weliswaar de formele legitimatie van de tocht, dat kwam mooi uit, maar Lewis en de zijnen waren sowieso wel op weg gegaan om via wilde rivieren, dichte bossen en hoge bergen een pad te vinden (want meer was het niet) naar de Pacific. Onderweg moesten de deelnemers vechten tegen grizzlyberen (een exemplaar kon pas na twintig kogels worden neergelegd), indianen en niet te vergeten het klimaat. In zijn grenzeloze enthousiasme wilde 'captain' Lewis namelijk de bergen oversteken voordat de sneeuw gesmolten was, waardoor de expeditie in groot gevaar kwam.
Lewis is de grote (roman)held van het boek: speciaal geselecteerd door president Jefferson, die ooit in Virginia als plantage-eigenaar zijn buurman was. Lewis had het ruige leven aan de frontier in Georgia al eens meegemaakt, had een carriere in het leger opgebouwd (met zijn compaan Clark) en was net als Verlichtingsfilosoof Jefferson nieuwsgierig naar alles wat de wereld de mensheid te bieden had. Jefferson trok Lewis aan als eerste secretaris in het Witte Huis, waardoor hij hem nog beter onder zijn hoede kon nemen. Hij stuurde Lewis naar Philadelphia waar hij van de beste leermeesters cursussen flora en fauna kreeg - de tocht moest vooral ook een wetenschappelijke expeditie worden.
Het werd een groot succes. Zeker ook politiek, want nu was het grote continent in kaart gebracht en kon onder andere een claim gelegd worden op verre gebieden als Oregon en Nebraska. De contouren van het nieuwe Amerika, de sluimerende grootmacht, waren gelegd.
Er zijn op basis van de boeiende dagboeken van Lewis al zoveel boeken over de reis geschreven: wat is nu het geheim van het succes van dat van Ambrose? Dat zit hem vooral in de persoonlijke betrokkenheid van de schrijver, die ieder jaar met familie en studenten naar de mooiste 'Lewis en Clark'-plekjes in Montana trekt. 'Daar op een eilandje in de rivier zetten we onze tenten op, met een adembenemend uitzicht op de bergen. 's Avonds onder de sterrenhemel lezen we voor uit de dagboeken van Lewis, die dezelfde poetische kwaliteiten had als een Faulkner en een Joyce. Het is fantastisch om te zien hoe kinderen van zes en ouderen van zestig naar voren opschuiven om maar niets van het verhaal te hoeven missen. We denken aan onze eigen hachelijke avonturen op de wilde rivieren en we zingen tot slot met tranen in de ogen America the Beautiful.'
Voor een buitenstaander is het interessant te zien hoe een serieuze, kritische wetenschapper zich zo onbedaarlijk laaft aan de bronnen van het Amerikaanse patriottisme. Misschien is 'onbeschaamd' een juister woord, want over het lot van de indianen biedt Ambrose ons weinig nieuws, ook niet in de speciaal toegevoegde hoofdstukken over indianen in de nieuwe paperback-editie. 'Lewis en Clark hebben geprobeerd conflicten te vermijden en een goede indruk op ze te maken,' zo concludeert Ambrose nietszeggend en niet al te goed gedocumenteerd.
Zo langzamerhand is er in de Verenigde Staten sprake van een heuse Lewis-en-Clarkrage. Op de Amerikaanse televisie zijn tal van programma's aan het boek van Ambrose gewijd en het scenario voor een nieuwe speelfilm over de expeditie ligt al klaar. Daarin zal de slotscene ongetwijfeld laten zien hoe de knappe, moedige Lewis aan het eind van zijn nog jonge leven ten onder gaat aan drank, goklust en verveling. 'Misschien piekte hij wel te vroeg,' zo schrijft Ambrose. Lewis, 35 jaar nog maar, pleegde zelfmoord in een dorpje in Tennessee. Hij schoot zich door het hoofd en toen hij maar niet stierf, schoot hij zich vervolgens in de borst. Toen ook dat geen resultaat had, zo schrijft Ambrose, 'sneed hij zichzelf van hoofd tot voeten met een scheermes open. 'Ik ben geen lafaard', zei Lewis toen hij doodbloedde, 'maar ik ben zo sterk. Het is zo moeilijk om te sterven'.'
Stephen E. Ambrose: Undaunted Courage Simon & Schudter
Het plan was een reddingsboei voor een zinkende drenkeling
LEXINGTON IS een klein stadje in de zuidwesthoek van de staat Virginia. Vanaf Washington D.C. kun je het in een dag bereiken door urenlang te rijden over de beboste bergtoppen van het Shenadoah National Park. Na deze beroemde skyline drive daal ik via haarspeldbochten af naar 'de strip' met opvallend veel motels en restaurants, maar dat komt omdat Lexington de reiziger veel te bieden heeft. De plaatselijke trots is het Virginia Military Institute (VMI), een beroemde militaire academie.
Die faam had de academie nog niet toen George Catlett Marshall zich in 1897 aanmeldde als cadet: een stille, verlegen jongen uit het Noorden, die lichamelijk niet al te sterk was en die in de voorafgaande jaren maar een matig student was gebleken. Het was dan ook logisch dat hij was afgewezen voor de meer prestigieuze West Point-academie. VMI was vooral een opleiding voor reserveofficieren, die in geval van nood leiding konden geven aan burgermilitia's zoals in de grondwet beschreven. Slechts een enkeling bracht het aanvankelijk tot een carrière in het reguliere Amerikaanse leger.
Spartaans
Wie het immense exercitieterrein met daaromheen de kolossale gebouwen aanschouwt, kan zich goed voorstellen hoe eenzaam de jonge Marshall zich hier moet hebben gevoeld. Ik zie de stramme cadetten van nu eindeloos marcheren en herinner me meteen een episode uit de biografie van historicus Mark A. Stoler: 'In deze Spartaanse omgeving vierde sadisme hoogtij en al gauw hadden de oudere militairen Marshall uitgekozen voor hun spelletjes. Ze zetten uitgestoken bajonetten in de grond en Marshall, net ziek geweest, moest daar minutenlang in hurkhouding overheen springen. Hij stortte tegen de vlakte en had een grote wond op zijn bil. Toch zei Marshall niets tegen de autoriteiten en daarmee verdiende hij meteen het respect van de ouderen. In korte tijd zou Marshall, geprezen vanwege zijn moed, integriteit en leiderschapskwaliteiten, opklimmen tot eerste kapitein van de nieuwe cadetten.'
Dit soort legendevorming wordt vooral ook uitgedragen in The George C. Marshall Museum And Foundation dat op het terrein van VMI is gevestigd. Naast veel oudere mensen bezoeken maar liefst vijftigduizend schoolkinderen jaarlijks het museum. In de aangrenzende bibliotheek worden de Marshall-documenten bestudeerd en van tijd tot tijd met commentaar uitgegeven. Jarenlang werkte hier Forrest C. Pogue, de officiële Marshall-biograaf. Marshall zelf heeft nooit zijn memoires willen schrijven, omdat hij de publiciteit niet wilde zoeken en 'geen geld wilde verdienen aan ervaringen die tot het collectief bezit van het Amerikaanse volk behoren'.
'Marshall had vele miljoenen kunnen verdienen, maar bleef liever een eenvoudig man,' bevestigt de gids die mij het museum laat zien. 'Als je de publieke zaak dient, dan hoor je zoiets niet te doen. Die opofferingsgezindheid, dat bewonder ik eigenlijk nog het meest in Marshall. Tegenwoordig heerst er onder politici een 'business-mentaliteit'. Na het politieke ambt vullen ze hun zakken door tienduizenden dollars te vragen voor hun speeches. Zoiets zou Marshall nooit gedaan hebben. Hij leefde in een tijd dat je nog opkeek tegen politici.'
Ik knik begrijpend, want ik heb net die ochtend vernomen dat oud-senator Bob Dole vandaag toch niet naar Nederland komt om het George Marshall-museum in Zwijndrecht te openen. Hij zou een enorme som geld voor die handeling hebben gevraagd.
Buiten hoor ik de stemmen van het zoveelste groepje kinderen dat het museum komt bezoeken: een high-school uit North-Carolina. 'Weten jullie iets van generaal Marshall en de Tweede Wereldoorlog?' vraagt de gids, waarop de kinderen massaal 'nee' antwoorden.
De gids raakt totaal niet in paniek en hanteert zijn beproefde methode. 'Voor wie hebben jullie in je leven bewondering?' Na een stilte komen er aarzelend namen: 'Michael Jordan, Michael Jackson, mijn vader en mijn moeder.' 'En voor wie in de politiek?' Het blijft langdurig stil en dan grijpt de gids zijn kans. 'Welke eisen stellen jullie aan een politicus?' Uit de zaal klinken woorden als 'eerlijkheid', 'goed zijn voor het volk', 'hard werken' en 'bescheidenheid'. Binnen vijf minuten heeft de gids de groep plat en past hij met veel anekdotes de genoemde eigenschappen toe op Marshall.
'Toen Marshall oud was en na zijn carrière wel eens in een theater verscheen, begonnen de mensen spontaan te klappen. Hij keek dan om zich heen. Marshall wist niet voor wie het bedoeld was. Hij haatte al die aandacht. Marshall had slechts het landsbelang gediend, z'n eigen ik was totaal onbelangrijk.' Met oprechte bewondering wijst de gids nog even naar het statige portret van de generaal in de aankomsthal.
Nu kan de rondleiding beginnen. Allereerst wordt de vitrine bezocht waar de Nobelprijs voor de Vrede, die Marshall in 1953 kreeg, ligt uitgestald. De kinderen zijn diep onder de indruk en gaan massaal met de vitrine op de foto. 'Het heeft geen zin kinderen lastig te vallen met allerlei ingewikkelde economische en politieke beschouwingen. Mijn verhaal is biografisch, waarbij ik ze veel concrete dingen laat zien,' zegt de gids.
Zoals in de speciale Marshall-planzaal waar een reusachtige foto met lachende Hollandse kindergezichtjes hangt. Er staat onder geschreven: 'Kinderen van Holland: goed gevoed, goed gekleed en gelukkig, het symbool van de werkelijke betekenis van het Marshall-plan'. Tegen de achtergrond van mooie klassieke muziek klinkt uit een aangrenzend beeldscherm de sonore stem van een Amerikaanse televisiecommentator van destijds: 'Het Marshall-plan hielp niet alleen de Amerikaanse bondgenoten, maar ook voormalige vijanden als West-Duitsland en Italië. In nog geen vier jaar ontvingen maar liefst zestien landen meer dan dertien miljard dollar. De Europese industrie passeerde spoedig het productieniveau van voor de oorlog. Het Marshall-plan versterkte de Europese democratie en verenigde West-Europa zoals nooit tevoren. Het creëerde een nieuwe, gezonde markt waarop Amerikaanse goederen in nog niet eerder vertoonde aantallen werden afgezet...'
De schoolklas is er nog stiller van geworden. Een jongetje roept uit: 'Wauw, dertien miljard dollar, dat was toen zeker een enorm bedrag.' Op mijn wat meer specifieke vragen over het Marshall-plan weten de kinderen geen antwoord. Ze zijn veel meer in de persoon en de oorlog geïnteresseerd en dan vooral in de militaire kant van de zaak. In de hal staat een jeep met kogelgaten uit de Tweede Wereldoorlog en sommige kinderen spelen daar uren in. De lerares verontschuldigt zich. 'Dit is het Zuiden van de Verenigde Staten en hier zijn veel mensen meer geïnteresseerd in de Burgeroorlog dan in de Tweede Wereldoorlog. Eigenlijk zijn ze ook meer gecharmeerd van de kapel op VMI die is gewijd aan de beroemde Zuidelijke generaal Robert E. Lee en waar hij ook begraven ligt. De Shenadoah-vallei is doordrenkt met het bloed van honderdduizenden soldaten uit de Burgeroorlog.'
Aan het eind van de rondleiding ontmoet ik Larry Bland, een van de meest invloedrijke Marshall-historici en redacteur van de Marshall papers. Volgens Bland lijkt het op het eerste gezicht wellicht of het belang van het Marshall-plan hier wat overdreven wordt voorgesteld. 'Het ging natuurlijk slechts om anderhalf procent van het Amerikaanse nationale inkomen. Maar je moet het plan ook niet onderschatten. Psychologisch was het voor de Europeanen heel belangrijk om te weten dat na jaren van oorlog en fascisme een rijk en door de oorlog onbeschadigd land als Amerika steun gaf, een toekomstperspectief bood. De essentie van de boodschap was toch: wordt als ons Amerikanen en kies voor 'the American way of capitalism and federalism'.'
'Verder heeft het plan doordat het de enorme dollarproblemen van Europa hielp oplossen ook voor monetaire stabiliteit gezorgd. Van het tekort op jullie handelsbalans werd 37 procent ingelost met Amerikaanse dollars en dat werd later zelfs 83 procent. Europa zou zich misschien ook wel hersteld hebben zonder Marshall-hulp, maar dan nooit op zo'n pijnloze wijze. Het Marshall-plan was als een reddingsboei voor een zinkende drenkeling.'
Het Amerikaanse publiek was volgens Bland destijds vooral geïnteresseerd in de menselijke kant van de hulp en veel minder in allerlei ingewikkelde monetaire en politieke kwesties. 'Veel Amerikanen stammen af van West-Europa en hebben dus een speciale band met dat gebied. Vergeet ook niet dat we een zeer christelijk land zijn en als we veel beelden te zien krijgen over ellende, al is het ver weg, dan vindt vroeg of laat een meerderheid van de bevolking dat er iets aan gedaan moet worden. Kijk tegenwoordig maar naar Bosnië, waar de camera's stonden. Dat is nou echt een constante in de Amerikaanse buitenlandse politiek.'
Voedselpakket
'Ik herinner me nog de voedselpakketten die ook bij ons in het dorp werden ingezameld voor de kindertjes in Rotterdam en Hamburg, al was het een druppel op een gloeiende plaat en maar een zeer beperkt onderdeel van het Marshall-plan. Ieder gezin deed mee en als de doos werd gesloten, was dat echt een ontroerend moment. Het versturen van zo'n pakket was zeer kostbaar, maar dat werd dan weer betaald met Marshall-geld. Ik herinner me ook nog de eerste krantenfoto's met lachende kindergezichten. Daar sprak iedereen over.'
Vaak wordt over het Marshall-plan gezegd dat het gewoon een beperkt onderdeel was van de eerder gelanceerde Truman-doctrine, maar volgens Bland werd die relatie destijds nauwelijks gelegd. 'Truman kreeg nogal wat kritiek, ook van partijgenoten, op zijn doctrine omdat die wel heel erg was doordrenkt van Koude-Oorlogsretoriek. De sobere Marshall-speech nam daar duidelijk afstand van. Marshall bood zelfs Oost-Europa en de Sovjet-Unie hulp aan. Het Marshall-plan was een realistisch stukje buitenlandbeleid gericht op een beperkte periode. Doelen en middelen waren zeer helder geformuleerd. We wisten precies wat het de Amerikaanse belastingbetaler zou gaan kosten. Het was wat dat betreft echt een uitzondering op de vage, idealistische buitenlandse politiek waar wij Amerikanen altijd zo dol op zijn. En natuurlijk gebruikte de nuchtere Marshall het plan om het Congres in een tijd van Koude Oorlog te overtuigen van de noodzaak om in West-Europa meer welvaart te creëren waardoor de opmars van het communisme kon worden gestuit. Met name in Italië hadden de communisten bijna een meerderheid. De gevolgen voor de Amerikaanse economie noemde Marshall in zijn rede al 'evident'.'
De Marshall-speech werd overigens in belangrijke mate geschreven door topadviseurs als George Kennan en Charles Bohlen, die vooral het communistische gevaar zagen, terwijl Marshall zelf daarin nogal naïef was. Maar Bland neemt hem dat niet kwalijk. 'Belangrijker is dat Marshall diep doordrongen was van de consequenties van een breuk met de Sovjet-Unie. En hij had in de Tweede Wereldoorlog ook ervaren dat je met Stalin in korte tijd tot concrete afspraken kon komen. Er was in zekere zin een plezierig en realistisch overleg. In de zomer van 1947 heeft Marshall als 'de laatste Amerikaan' nog een ultieme poging gedaan dit te continueren, maar hij zag uiteindelijk wel in dat het een hopeloze missie was. En vergeet niet: hij heeft opdracht gegeven de speech te schrijven, hij heeft er zijn aandeel in gehad en in een buitengewoon riskante tijd nam hij alle verantwoordelijkheid op zich. Ik geef toe dat Marshall en zijn adviseurs tijdens het uitspreken van de speech al konden weten dat de Sovjet-Unie nooit Amerikaanse hulp zou accepteren gezien de controle die er aan verbonden was.'
Bland is ervan overtuigd dat zonder de inzet van Marshall de Amerikanen het plan nooit zouden hebben geaccepteerd. 'Generaal Marshall was een groot en vooral ook gewiekst politicus. Later heeft hij gezegd dat het was alsof hij campagne moest voeren voor de Senaat of het presidentschap, zo moest hij de mensen overtuigen. Hij onderscheidde allerlei pressiegroepen en met name voor vrouwen hield hij veel toespraken. Hij was van mening dat vrouwen meer dan mannen openstonden voor verhalen over sociale ellende in Europa. Ook was het (Republikeinse) Congres in meerderheid conservatief en aanvankelijk isolationistisch. Daarom heeft Marshall direct de Republikeinse leider Vandenberg zeer nauw bij zijn plannen betrokken. Publiekelijk gaf hij deze voormalige isolationistische senator grote complimenten en algemeen werd Vandenberg gezien als een aantrekkelijke presidentskandidaat. Vrijwel iedereen ging er vanuit dat de Democraat Truman in 1948 zou verliezen en dan was de steun van Marshall zeer belangrijk. Marshall werd als partijloos beschouwd. Of zoals de zeer invloedrijke Congresvoorzitter Sam Rayburn het ooit uitdrukte: 'Als Marshall ons toesprak dan vergaten we dat we Republikeinen of Democraten waren. We wisten dat we in de nabijheid waren van een man die gewoon altijd de waarheid vertelde over het probleem dat op de agenda stond'.'
Dankbaar
Het valt Bland op dat het Marshall-plan in dit vijftigste herdenkingsjaar op zeer verschillende wijze wordt herdacht. 'Met name de Duitsers en de Nederlanders zijn zeer positief. Duitsers zijn heel dankbaar omdat twee jaar na de oorlog 'de grote vijand' de helpende hand toestak. De Amerikaanse regering wilde per se een tweede verzwakte 'Weimar-Republiek' voorkomen en dat heeft met name ook ten opzichte van de Fransen heel wat overredingskracht gekost. De Nederlanders op hun beurt begrijpen heel goed dat het nogal wat is om als klein landje op de vijfde plaats van ontvangende landen te staan. Bovendien heeft Nederland met zijn open economie het meeste geprofiteerd van het Duitse Wirtschaftswunder en de toen geïnitieerde Europese samenwerking. Van Frankrijk, nota bene tweede op de lijst, horen we helemaal niks. Die chauvinistische Fransen kunnen nu eenmaal niet uitstaan dat ze Uncle Sam nodig hadden bij hun wederopbouw.'
De gedachte dat er een Marshall-plan voor Oost-Europa zou moeten komen, spreekt Bland aan. 'Dat zou heel goed kunnen werken en dan ook weer voor zo'n korte periode. Maar helaas zal dat op korte termijn niet gebeuren, ondanks de mooie woorden die president Clinton hieromtrent heeft gesproken, omdat het Congres momenteel zeer conservatief is en de beurs stevig gesloten zal houden.'
Bij het afscheid word ik nog even naar de souvenirshop gebracht, waar een cadet van VMI achter de balie staat. De kortgeknipte en geüniformeerde jongeman vindt het een grote eer dit vrijwilligerswerk in zijn vrije tijd te doen. Ik krijg een grote stapel Marshall-boeken en voor mijn kinderen een Marshall-pen en kleurboek. Op pagina 35 zie ik een Hollandse molen met daarvoor een vrachtwagen vol tarwe. Op de volgende pagina vertelt Marshall aan een groep Amerikaanse padvinders die geld inzamelen voor de hongerige kinderen in Europa: 'Het is een goede en edelmoedige daad. En het vormt een basis van vriendschap, goodwill en vertrouwen die zo belangrijk is voor ons volk en de wereld en de vrede.'
Toen George Catlett Marshall zich in 1897 aanmeldde als cadet van het Virginia Military Institute in Lexington stond hij bekend als een matig student. Toch groeide hij uit tot generaal en minister van buitenlandse zaken van de Verenigde Staten. Willem Post bezocht het exercitieterrein waar Marshall werd gedrild en waar hij nu wordt geëerd.
Dick Morris, de geheime strateeg achter Clintons comeback
Na de voor de Democraten desastreus verlopen Congresverkiezingen in 1994 was Bill Clinton politiek gezien op sterven na dood. Zijn gezondheidsplannen waren uitgedraaid op een fiasco, schandalen waren aan de orde van de dag en avond aan avond werden de Clinton's belachelijk gemaakt in de haatshows op de Amerikaanse televisie. Ik herinner me de ultrarechtse haatkoning Rush Limbaugh die op een verontruste vraag uit het publiek over de ouderdom van Bob Dole smalend antwoordde: 'Iedereen kan van Bill Clinton winnen, zelfs Bugs Bunny!'
Dat lijkt nu allemaal wel erg lang geleden. De onverwachte, snelle herrijzenis van Clinton vanaf 1994 is een van de grootste politieke mirakels uit de Amerikaanse geschiedenis en kan voor een belangrijk deel worden toegeschreven aan diens nieuwe adviseur Dick Morris, die eerder al eens had gewerkt voor gouverneur Clinton in Arkansas en daarna voor tal van Democratische en vooral Republikeinse politici. Hij kent Clinton al zo'n twintig jaar 'alsof het zijn eigen broer was'.
Detective
In zijn terugblik op de laatste campagne laat Morris zien dat hij de kwaliteiten van een groot strateeg en tacticus in zich verenigt. Time typeerde hem als 'de meest invloedrijke burger in Amerika, de meest intrigerende persoon uit de campagne'. Clinton noemde hem 'briljant': "Onze relatie is waarschijnlijk uniek in de geschiedenis."
Ik heb zijn boek met rode oortjes gelezen. Het lijkt wel een beetje op een detective of een spionageroman, zulke geheimzinnige taferelen speelden zich in het Witte Huis af. Lange tijd waren de contacten tussen Clinton en Morris onzichtbaar voor de buitenwereld. Terwijl Clinton's stafmedewerkers in de westvleugel van het Witte Huis kantoor hielden, zat Morris in een apart kamertje in de oostvleugel vlakbij de president. Maandenlang werkte hij onder de codenaam 'Charlie', alleen de twee persoonlijke secretaresses van de president waren hiervan op de hoogte. Een speech voor de president schreef hij in blokletters, omdat Clinton's medewerkers wisten dat de president niet kon typen en er achter zouden kunnen komen dat een nieuwe adviseur was aangetrokken.
Morris wantrouwde de staf van Clinton diep. Om iedereen in de Democratische partij tevreden te stellen was deze staf samengesteld als een zeer brede vertegenwoordiging van aan de partij gerelateerde belangenorganisaties, zoals vakbonden en actiegroepen. Het gevolg was dat Clinton zich aan zijn eigen partij had overgeleverd en geen enkele politieke speelruimte meer had. Zijn staf bepaalde wat er gebeurde. Ze stuurden hem het hele land door. Gewoonlijk vertrok hij om zes uur 's morgens om diep na middernacht terug te komen. Clinton kreeg een chronisch slaaptekort. Zijn medewerkers bepaalden met welke officials hij mocht spreken, wie hij nu allemaal weer de hand moest schudden en zelfs, via de dagelijkse nieuwsselectie, wat hij mocht lezen. 'Meneer de president,' zo oordeelde Morris, 'U laat zich veel te veel beïnvloeden door uw progressieve stafleden, die regeren over u alsof u een kindkoning was.'
Voor 1995 kwam Morris met een nieuwe strategie: voordat de verkiezingscampagne zou beginnen moest Clinton in de opiniepeilingen al een grote voorsprong opbouwen, met name via televisiespotjes van 30 seconden die lieten zien wat Clinton in zijn regeerperiode allemaal had bereikt. Deze 'luchtslag die de Republikeinen op de grond zou verpletteren' kostte zo'n 85 miljoen dollar (in 1992 hadden Clinton en Bush samen zo'n 40 miljoen dollar besteed) en werd voor een belangrijk deel niet door de Clinton-campagne zelf betaald maar door de partij onder het mom van 'het toelichten van maatschappelijke thema's'. In de staten waar de spotjes werden uitgezonden bouwde Clinton in een mum van tijd een voorsprong op van 10 a 15 procent, terwijl de Republikeinse kandidaten nog moesten beginnen met hun campagnes, waarin ze vooral elkaar zouden bekritiseren. De spotjes werden vrijwel uitsluitend via lokale stations uitgezonden en niet in grote centra als New York en Washington D.C., mede omdat daar veel invloedrijke journalisten woonden die in een vroeg stadium de strategie met kritische reacties konden ondermijnen. Zo'n mediaoffensief, dat dus zestien maanden voor de verkiezingsdag al werd gelanceerd, was nog nooit vertoond in de Amerikaanse geschiedenis en moest zo onopgemerkt mogelijk plaats vinden. Het verklaart waarom Clinton in 'spannende' staten als Michigan en Wisconsin een grotere voorsprong opbouwde dan in het Democratische bolwerk New York.
Het geheim van de spotjes zat vooral ook in het uittesten ervan. In Hollywood had Morris geleerd dat de afloop van een film als Jaws in verschillende scenario's van tevoren werd voorgelegd aan het publiek. De mensen mochten kiezen. De opiniepeilers van Morris trokken winkelcentra verspreid over het hele land in en lieten mensen verschillende proefspotjes van Clinton zien. Zo kwamen ze er achter dat mensen moe waren van de negatieve spotjes van de laatste jaren. Morris ontdekte dat uiteindelijk niet de persoon maar de issues de doorslag gaven in het stemgedrag. "Ik denk dat Amerika verliefd werd op z'n politici in de jaren vijftig en zestig toen we ze voor het eerst op tv zagen. Eisenhower was een vaderfiguur, Kennedy was knap; Johnson was onze oom, Nixon de herkenbare jongen van het kleinsteedse Amerika. Wij waren onnozel, wisten niks en onze helden konden niets verkeerds doen. Daarna kwamen Vietnam, Watergate en de omkoopschandalen van de jaren zeventig... We raakten vervreemd van onze politici. Het was als een scheiding. We hadden ons lesje geleerd. In deze tijd," zo gaat Morris verder, "willen we gewoon weten waar een kandidaat voor staat. Vraag ons niet verliefd op je te worden; vertel gewoon waar je staat als politicus. Dan zullen we op je stemmen totdat je ons weer belazert."
De spotjes, ondersteund door de opiniepeilingen, moesten Clinton's nieuwe strategie uitdragen: een ruk naar rechts of, zoals Morris liever zegt, 'het trianguleren van Clinton'. Morris heeft Clinton hier als het ware les in gegeven. "Neem het voorbeeld van de belastingen. Democraten zeggen in het algemeen nee tegen belastingverlagingen, Republikeinen zijn er juist voor. Wij moeten zeggen dat we alleen belastingverlaging willen als de burger verantwoord maatschappelijk gedrag vertoont, dus bijvoorbeeld om het geld te gebruiken bij kinderopvang, naar college gaan, een huis kopen of sparen voor later. Trianguleren betekent voor een president dat hij een derde positie creëert, niet precies tussen de oude partijen maar als een vaderfiguur er juist boven!' Alweer uitgebreid opinieonderzoek had Morris geleerd hoe stom Dole's algemene belastingverlaging van 15 procent voor iedereen was. Het was letterlijk uit de tijd.
De door Morris geregisseerde Clinton zou perfect inspelen op de nieuwe tijdgeest. "In de oude dagen van 'Big Government' zou Clinton de mogelijkheid om naar de universiteit te gaan hebben gestimuleerd met een groots opgezet bureaucratisch programma op basis van allerlei kostbare beurzen, nu kregen de ouders (en de studenten) een gerichte belastingverlaging. Het was de perfecte mengeling van Democratische compassie en Republikeins verantwoordelijkheids-gevoel. De twintigste eeuw heeft aangetoond dat de overheid niet in staat is om grote sociale programma's uit te voeren. Daarom moet er een nieuw partnerschap ontstaan tussen de overheid en de individuele burger'.
De jaren tachtig waren de 'ik-periode', de jaren negentig de 'wij-periode', zo wezen de peilingen van Morris uit. Er was in Amerika wel degelijk een 'public spirit', zo anders dan het eeuwige zelfbelang dat de Republikeinen uitdroegen. De mensen waren zeer geïnteresseerd in zaken als misdaadbestrijding, geweld op televisie, rookverslaving onder jongeren en drugs. De mensen eisten alleen dat er wat aan gedaan werd. Daartoe zou de president waar mogelijk met 'een diarree aan wetsvoorstellen en maatregelen moeten komen'. "Ik beloofde een honderd dagen a la Roosevelt maar dan aan het eind van zijn eerste termijn', aldus Morris.
Morris heeft die glorieuze finale zelf niet meer mee mogen maken. Op de dag dat Clinton zijn feestelijke toespraak tijdens de Democratische conventie in Chicago zou houden werd bekend dat Morris een langdurige relatie met een prostituee had. Hij had haar, al was het volgens Morris maar een paar seconden, mee laten luisteren naar telefoongesprekken met de president, die vervolgens niet anders kon doen dan druk op Morris uitoefenen om op te stappen.
Morris heeft Clinton nog wel met enige regelmaat gesproken, bijvoorbeeld over het verschijnen van dit boek. Clinton vond het goed als het maar na de verkiezingen verscheen en recht deed aan Morris en ... aan Clinton.
Aan Clinton doet het boek zeker recht. Morris heeft z'n uiterste best gedaan hem af te schilderen als een warme, zij het wat driftige persoonlijkheid. En ook als een zeer intelligente politicus die het in zich heeft om geschiedenis te schrijven met name wanneer hij erin slaagt het begrotingstekort helemaal weg te werken. Hij heeft zich van 'jongensgouverneur' ontwikkeld tot een vaderfiguur, die zich vooral druk maakt om de jeugd en de toekomst van Amerika. Een president ook die de opiniepeilingen van Morris als middel gebruikte en niet als doel. Als duidelijk voorbeeld noemt Morris de kwestie Bosnië, waarbij de overgrote meerderheid van de bevolking tegen het zenden van Amerikaanse troepen was maar waar Clinton toch doorzette.
Chirac
Met Morris blijven we zitten. Net als Clinton was hij onder de indruk van John Kennedy en werkte hij als vrijwilliger voor progressieve Democraten als George McGovern. Door Vietnam, Watergate en het mislukken van grote sociale overheidsprogramma's raakte hij teleurgesteld in de Amerikaanse politiek. In hem voltrok zich een ontideologisering die het voor hem mogelijk maakte te werken voor Democraten maar ook voor ultrarechtse Republikeinen als senator Jesse Helms. In de jaren tachtig heeft Morris ook nog even gewerkt voor Jacques Chirac. In Frankrijk leerde hij een belangrijke les van president Mitterrand, die handig samenwerkte met Chirac door een flink deel van diens rechtse agenda over te nemen waardoor de kracht van de gaullisten sterk afzwakte.
Dit werd het model voor de relatie tussen Clinton en de rechtse Gingrich. Gingrich' positie werd nog eens extra ondermijnd door de vriendschappelijke band van Morris met de wat minder conservatieve, nieuwe Republikeinse leider in de Senaat Trent Lott, die bijvoorbeeld ten aanzien van de budgetcrisis wel zaken wilde doen met het Witte Huis, omdat anders de Republikeinse Congresleden het thuisfront in verkiezingstijd helemaal niets meer te bieden hadden.
Hillary Clinton heeft Morris treffend getypeerd. Toen ze belachelijk werd gemaakt in de pers omdat ze 'spirituele gesprekken met overledenen' zoals Eleanor Roosevelt voerde, grapte ze tegen Morris: 'Zal ik voor jou even Machiavelli oproepen, Dick?'
