1994

200820072006 200520042003 200220012000 199919981997 19961995 • 19931992

 

 

Theodore, Franklin en Eleanor: de Roosevelt-dynastie Peter Collier en David Horowitz: The Roosevelts: an American Saga Simon & Schuster 09-09-1994
De nieuwe wereldorde van Henri Kissinger Henry Kissinger: Diplomacy Simon & Schuster 13-05-1994
Elke vrijdagmiddag een kruiswoordpuzzel Bob Woodward: The Agenda: Inside the Clinton White House Simon and Schuster 24-04-1994

 

Theodore, Franklin, en Eleanor: de Roosevelt-dynastie

OVER de presidenten Theodore (1901-09) en Franklin Roosevelt (1933-45) is al heel veel gepubliceerd. Toch hebben de beroemde biografen Peter Collier en David Horowitz, die eerder de dynastieën van de Kennedy's, de Fords en de Rockefellers beschreven, een nieuwe invalshoek gevonden. Weliswaar baseren zij zich grotendeels op bestaande literatuur, maar daarnaast hebben zij een aantal nog niet gepubliceerde brieven van latere Roosevelt-kinderen en kleinkinderen mogen raadplegen.

Uncle Ted en young Roosevelt mogen dan afstammen van dezelfde Nederlandse voorouders (een aspect dat in dit boek meer wordt benadrukt dan in andere recente Roosevelt-studies), zij vertegenwoordigden twee sterk rivaliserende familietakken die hun residenties hadden op het welvarende platteland in de buurt van New York: Oyster Bay van Theodore en Hyde Park van Franklin. Die 'oplaaiende burgeroorlog' is het thema van deze meeslepende studie, die door een schat aan anekdotische details allerlei psychologische doorkijkjes biedt.

Aanvankelijk was alles nog pais en vree. Familiebezoekjes aan de vrijgevochten Roosevelts van Oyster Bay waren hoogtepunten in het beschermde leven van de kleine Franklin, die door zijn moeder Sara waarlijk werd doodgeknuffeld. Ze aanbad hem. Pas op vierjarige leeftijd mocht Franklins goudblonde haar worden afgeknipt. Het werd niet weggegooid, maar bewaard in een speciale satijnen doos. Franklin speelde ook een beetje die rol van moederskindje. Als Sara even niet thuis was, rende hij naar een jas van zijn moeder, drukte zijn gezicht er tegenaan en gilde tot ontsteltenis van het personeel: 'Mama! Mama!' Of als hij elders in het immense huis aan het spelen was, schreef hij lieve brieven, die de bediende aan Mummie in de keuken moest bezorgen.

Maar dit mooie, verwijfde en uiterst charmante jongetje genoot maar wat graag van de democracy van de andere Roosevelts, al wist hij dat hij door de kinderen van Theodore heimelijk werd uitgelachen. Hij kwam in een heel andere wereld. In het huis van de door hem geadoreerde Theodore was er altijd leven in de brouwerij. Hoogtepunt was de viering van Onafhankelijkheidsdag op 4 juli, waarbij Theodore zelf het vuurwerk ontstak en soms zo enthousiast werd dat hij kogels door z'n eigen dak schoot. Zoon Kermit stak zelfs eens vuurwerk in z'n mond af, omdat hij meende dat een echte Roosevelt zoiets moest kunnen overleven. Met enige regelmaat werd een stevig robbertje gevochten. Legendarisch werden de trektochten door de ruige natuur, waarbij nooit een omweg werd gemaakt. Het ging steeds maar rechtdoor, waarbij zelfs de meest gevaarlijke rotspartijen werden beklommen. En altijd ging Theodore voorop. Hij was een echte homo universalis, rijk van lichaam en geest: een krachtpatser, een ontdekkingsreiziger, een groot kenner van de poëzie, van de natuur, van de geschiedenis...

In dit boek wordt de excentrieke Theodore onverbloemd bewonderd, zoals dat ook door velen gebeurde tijdens zijn stormachtige politieke carrière. Theodore was de mister America: een avonturierindividualist, die altijd zijn grenzen wilde verleggen. In het Verre Westen van Amerika leefde hij een tijdje te midden van de cowboys, waar hij de meest ongelooflijke jachtavonturen beleefde. Hij maakte safari's naar gebieden in Afrika en Zuid-Amerika waar zelfs de inheemsen zich niet durfden te vertonen. En toen er oorlog op Cuba uitbrak, nam hij onmiddellijk ontslag als onderminister van Marine, omdat hij vond dat een politicus als eerste zijn land militair behoorde te verdedigen. Op Cuba werd hij een oorlogsheld. Als commandant meende hij als eerste een heuvel te moeten bestormen, al had hij totaal geen dekking. Het was zijn ultieme opoffering voor het vaderland. Later vertelde Theodore zelfs dat als zijn vrouw, die ernstig ziek was, op haar sterfbed had gelegen, hij toch nog zijn militaire plichten vervuld zou hebben.

Bij de overwinningsparade van Roosevelts 'Rough Riders' in New York, onder wie ook de vermaarde Buffalo Bill, stond Franklin juichend langs de kant. Hij kleedde zich als zijn oom en probeerde soms met zijn stem te spreken. Op zijn kostschool pochte hij dat hij naar Florida was vertrokken om zich ook aan te melden bij de Amerikaanse strijdkrachten in Cuba, maar dat hij door ziekte had moeten terugkeren. In werkelijkheid had hij de kostschool nooit verlaten in die tijd.

Theodore stond volop in de schijnwerpers en genoot daarvan met volle teugen. Dochter Alice merkte ooit eens toepasselijk op 'dat vader op iedere begrafenis het lijk wilde zijn en bij iedere bruiloft de bruid'. Hij omringde zich altijd met journalisten. Zijn beeltenis 'van het stoere hoofd met de lachende tanden' werd door de opkomende reclame-industrie gebruikt voor de aanprijzing van allerhande goederen, variërend van zeeppoeder tot en met sigaren.

Ook tijdens z'n presidentschap trok Theodore onmiddellijk veel aandacht. Aanvankelijk wist men niet wat men aan hem had. Was hij een conservatieve progressief of juist een progressieve conservatief? Hoewel hij van het echte socialisme niets wilde weten, gaf hij meteen al de vooruitstrevende toon aan met zijn uitspraak dat 'van alle vormen van tirannie de minst aantrekkelijke en de meest vulgaire die van de pure rijkdom is'. Een speelgoedfabrikant bracht onmiddellijk met groot succes een spel op de markt waarbij het de bedoeling was met behulp van een dobbelsteen zoveel mogelijk bekende rijken in de beruchte Sing-Sing gevangenis te krijgen. Roosevelt wilde ook de strijd tegen de machtige trusts aanbinden en werd door veel zakenmensen binnen de Republikeinse partij als een verrader van zijn klasse gezien. Hij trok ten strijde tegen kinderarbeid en andere mensonterende werk-omstandigheden.

Die progressieve ontwikkeling zien we ook na zijn presidentschap. In de Republikeinse partij voelde hij zich niet meer thuis en daarom sloot hij zich met vele van zijn aanhangers aan bij de nieuwe Progressieve partij. Dat was achteraf het begin van zijn politieke ondergang, want bij de verkiezingen van 1912 kon de Democraat Woodrow Wilson winnen van Roosevelt, die echter zou zijn gekozen als de Republikeinse stemmen bij zijn totaal zouden zijn opgeteld.

De ster van Franklin was inmiddels rijzende. Zijn tak van de Roosevelts was overwegend aan de Democratische partij gelieerd en zo aanvaardde hij de functie, zoals Theodore die ooit ook had bekleed, van onderminister van Marine in de nieuwe regering Wilson. Hij zat in een moeilijk parket. Theodore vond dat Wilson een 'sissie in the White House' was omdat hij in het begin van de Eerste Wereldoorlog de Verenigde Staten zoveel mogelijk afzijdig probeerde te houden. De spanningen tussen de Oyster Bay-Roosevelts en de nieuwe president liepen zo hoog op, dat Theodore's al even excentrieke dochter Alice 's nachts met spelden doorstoken voodoo-poppetjes met de beeltenis van Wilson erop over de hekken van het Witte Huis wierp. Franklin liet zich inderdaad door Theodore beïnvloeden want in het diepste geheim bezocht hij vergaderingen van interventionisten.

Toen de Verenigde Staten in 1917 daadwerkelijk bij de oorlog betrokken raakten, deed Theodore een hartstochtelijk beroep op Franklin om af te treden teneinde zijn militaire plicht te vervullen: 'You must resign!' Dat deed Franklin uiteindelijk niet en hier ligt het begin van een toenemende verwijdering tussen de beide Roosevelt-families. De vier zonen van Theodore werden oorlogshelden in de traditie van hun vader. Een stierf er, een ander raakte zwaar gewond. Franklin maakte een dienstreis door Europa en mocht te midden van allerlei officiële plichtplegingen een keer een schot afvuren richting de Duitse linies.

Na de dood van Theodore in 1919 werd Ted door de Roosevelts van Oyster Bay naar voren geschoven om de politieke mantel van zijn vader over te nemen. Maar Ted, in de eerste plaats een militair, miste het politieke genie van zijn vader... en Franklin. Geheel in de lijn van oom Theodore maakte Franklin een glanzende carrière: onderminister, gouverneur van de staat New York en uiteindelijk president in 1933.

Met name Ted en Alice hebben het hem nooit kunnen vergeven. Alice verklaarde zelfs liever op Hitler dan op Franklin te stemmen. Ze waren tegen de New Deal omdat het een on-Amerikaans programma was en gelijk stond aan staatssocialisme. Toen Franklin eerder dan zijn meeste landgenoten aan het eind van de jaren dertig het hardnekkige isolationisme probeerde te doorbreken, waren zij fel tegen. 'De grenzen van Amerika lagen niet ergens in Europa!' Terecht wordt in dit boek opgemerkt dat Theodore ongetwijfeld aan de kant van Franklin zou hebben gestaan.

Aan het eind van deze studie klinkt ook bewondering voor Franklin door. Na zijn verlamming door polio in zijn jonge jaren boorde Franklin een diepere innerlijke kracht aan, die doet denken aan de moed van Theodore. Franklin's New Deal is eigenlijk een voortbouwen op diens progressieve standpunten en was een enorme politieke krachtsinspanning, die van Amerika een fundamenteel ander land maakte. Waar Theodore meer een krachtpatser was, die zijn omgeving totaal overheerste, was Franklin meer de fijnbesnaarde politicus, die met humor, gratie en een sterk ontwikkeld politiek gevoel iedereen bespeelde, vaak zonder dat men het zelf besefte.

De bewonderende conclusie van deze biografie is dat de Roosevelts als politieke dynastie, zo anders dan vele gelddynastieën, hun land met een grote mate aan plichtsbetrachting en opofferingsgezindheid hebben gediend, al genoten ze er zelf het meest van. Dat gold voor de beide presidenten, maar ook voor anderen. Franklins vrouw Eleanor bijvoorbeeld, die vele jaren na de Tweede Wereldoorlog zich een hartstochtelijk pleitbezorgster toonde van de mensenrechten. Maar ook Ted, die zijn bezwaren onmiddellijk opzij zette toen Amerika betrokken raakte bij de Tweede Wereldoorlog. Hij meldde zich direct aan bij het leger en stond erop (met zijn 57 jaar als oudste militair) deel uit te maken van de eerste aanvalsgolf op de stranden van Normandië. Zijn eenheid landde op een verkeerde plaats en kwam onder het volle vuur van de Duitsers te liggen. Met groot gevaar voor eigen leven heeft Ted urenlang gewonde soldaten weggesleept naar een veiliger plek, waarbij hij zich steeds weer blootstelde aan Duitse beschietingen. Toen jaren later generaal Omar Bradley werd gevraagd naar het dapperste wat hij ooit in oorlogstijd had meegemaakt, antwoordde hij zonder aarzeling: 'Theodore Roosvelt jr. op de stranden van Normandië!'

Dit mooie boek eindigt met een gebeurtenis in Nederland in 1986. Dan wordt in Middelburg het Roosevelt Study Center geopend. Nazaten van de beide presidenten zijn hierbij aanwezig en zoveel jaren na de hectische politieke en familietaferelen wordt hier in aanwezigheid van prinses Margriet min of meer de vrede getekend, ook wel enigszins humoristisch de 'Vrede van Utrecht' genoemd. Wat later wordt op Hyde Park een reünie georganiseerd. Er werd gespeecht, er werden fakkels ontstoken en iedereen stond op het grasveld wat onwennig met elkaar te praten. Opeens omhelsden een paar oudere Roosevelts elkaar, waarbij ze elkaar op de schouders sloegen, waarna de jongeren zich bij hen voegden.

Een van de weinige buitenstaanders merkte op: 'Het was heel bijzonder, al die Roosevelts bij elkaar en iedereen zo gelukkig. Net zoals dat honderd jaar geleden bij familiesamenkomsten ook wel zo geweest moet zijn. En er werd gelachen. Je zal het niet geloven. Al die Roosevelt-tanden!'

Terug

 

De nieuwe wereldorde van Henry Kissinger

Kissingers nieuwe monumentale studie is in feite een drieluik. Als historicus, politicus en toekomstvoorspeller begint Kissinger de machtspolitiek vanuit een eng Europees perspectief te beschrijven waaraan vanaf het begin van de twintigste eeuw de moralistische buitenlandse politiek van de nieuwe Amerikaanse supermacht wordt toegevoegd.

Voor de eenentwintigste eeuw schetst Kissinger ons een mondiaal statensysteem, waarbinnen de Verenigde Staten, Rusland, China, Japan, Europa en waarschijnlijk ook India als machtscentra zullen fungeren. Vanwege de diverse culturele achtergronden zal er geen sprake zijn van gemeenschappelijke normen en waarden die de westerse wereld altijd hebben gekenmerkt en op basis waarvan uitgangspunten voor een gemeenschappelijke buitenlandse politiek konden worden geformuleerd. De universele, moralistische en legalistische buitenlandse politiek van president Woodrow Wilson is hier een goed voorbeeld van. Alleen daarom al leent zo'n nieuwe, toekomstige machtsstructuur zich meer voor machtspolitiek en voorspelt Kissinger een herleving van de aloude balance of power, die hij al in zijn meer specialistische werken als A World Restored over het Wener Congres en The White Revolutionary over Bismarck propageerde.

Diplomacy is de ultieme synthese van Kissingers vele geschriften en een must voor iedere student van de buitenlandse politiek en met name de diplomatie.

Kissingers boek begint bij de Franse kardinaal Richelieu die eerste minister was van 1624 tot 1642. 'Weinig staatslieden hadden een grotere invloed op de geschiedenis. Richelieu was de vader van het moderne staatssysteem.' Hij verkondigde de 'raison d'etat' wat inhield dat het staatsbelang alle middelen om het te bevorderen rechtvaardigde. Het nationale belang ging boven het principe van de universele, religieuze moraliteit uit de Middeleeuwen. Toen het katholieke Frankrijk gedomineerd dreigde te worden door het Heilige Roomse Rijk van de Habsburgse keizers (en hun Spaanse en Italiaanse familieleden) koos de katholieke Richelieu partij voor de rebellerende protestantse vorsten uit het hart van het desintegrerende rijk. In wezen was dit de geboorte van de moderne balance of power, die verder werd verfijnd door de nieuwe natiestaten in de eeuwen erna.

Stabiliteit# Kissinger wijst erop dat een politiek waarbij wordt gestreefd naar machtsevenwicht de beste garantie is voor stabiliteit, veiligheid en langdurige vrede, zoals de periode na het Congres van Wenen bewijst. Staatslieden zoals Bismarck beschouwden naties sterfelijk als individuen. Ook een natie kon binnen de kortste keren op het kerkhof van de geschiedenis belanden. Machtsevenwicht zorgde voor harmonie in een Hobbesiaanse wereld vol lust en agressie. Zo bezien fungeerde de Europese diplomatie als overlevingsinstrument te midden van een boze wereld.

De Verenigde Staten hebben een hele andere ontwikkeling doorgemaakt. Verschanst tussen oceanen en bij afwezigheid van sterke buurlanden behoefden zij geen echte machtspolitiek te voeren. Tot in onze eeuw kon Amerika zich een politiek van isolationisme permitteren. En als het zich met wereldoorlogen bemoeide, werd het altijd gedaan op basis van verheven principes, waar Wilsons uitspraak 'to make the world safe for democracy' de bekendste uiting van was. Naast machtspolitieke overwegingen was een oorlog eveneens altijd een morele kruistocht. En dat gold met name ook voor de Koude Oorlog.

Vietnam was een voorbeeld van de verwarring die hieruit voortvloeide. Kissinger vond dat er zo snel mogelijk een einde moest komen aan het Amerikaanse Vietnam-avontuur, omdat het de nationale veiligheidsbelangen niet raakte. Maar terwijl Kissinger jarenlang onderhandelde, stierven er duizend Amerikanen per maand. Het centrale dilemma van de Vietnamiseringspolitiek van Kissinger en Nixon werd door de Noord-Vietnamese onderhandelaar Le Duc Tho kernachtig onder woorden gebracht: 'Hoe kunt u verwachten dat het Zuid-Vietnamese leger alleen stand kan houden als het niet kon winnen zonder de hulp van 500.000 Amerikanen?' Het toont de onmogelijke situatie waarin de Amerikaanse buitenlandse politiek inmiddels was verzeild aan. Grotere militaire inspanningen waren politiek niet haalbaar en het politieke prestige van de supermacht liet een overhaaste terugtrekking niet toe.#

De huidige internationale politieke constellatie vereist volgens Kissinger een nog verfijndere buitenlandse politiek dan ten tijde van de Koude Oorlog. Voor het eerst in de geschiedenis hebben de Verenigde Staten geen uitzonderingspositie meer. Vanwege de toenemende interdependentie op bijvoorbeeld terreinen als bewapening (nucleaire proliferatie!), milieu en economie kunnen de Amerikanen zich niet meer terugtrekken van de wereld. Maar de Verenigde Staten kunnen de wereld ook niet meer domineren zoals net na de Tweede Wereldoorlog toen ze nog 35% van de wereldeconomie in handen hadden.

Kissinger is sceptisch over de strategie van enlargment van de regering Clinton, waarbij ervan wordt uitgegaan dat steeds meer landen democratisch zullen worden en zich zullen aansluiten bij vrijhandelszones. Zulke moralistische en legalistische principes zijn in essentie Wilsoniaans en niet universeel toepasbaar, zeker niet in veel nog dictatoriaal geregeerde landen in Azië.

China# Dat probleem geldt niet voor een politiek van machtsevenwicht, al zijn het nu juist de Verenigde Staten die niet zo zijn geschoold in de ragfijne machtspolitiek. Toch moet de Amerikaanse regering streven naar een stabiele balance of power tussen China, Japan en de kleinere maar steeds machtiger wordende Zuidoost-Aziatische landen als Korea, Taiwan, Singapore en andere Aziatische naties als Vietnam. Vanwege haar relatieve machtspositie en status en veelzijdige contacten opgebouwd in met name de periode na de Tweede Wereldoorlog kan de Amerikaanse supermacht bij uitstek als intermediair fungeren tussen de diverse partijen.

Kissinger waarschuwt met name voor de toenemende macht van China. Het Chinese bruto-nationaal product zal met een jaarlijks groeipercentage van 8 procent tegen 2020 dat van de Verenigde Staten overtreffen. Maar volgens Kissinger zal lang voor die tijd China's politieke en militaire schaduw vallen over de rest van Azie.

Een Amerikaanse politiek die is gericht op goede relaties met tegelijkertijd China en landen, die worden beschouwd als potentiële bedreigingen voor de Chinese veiligheid, vereist een zorgvuldige en regelmatige dialoog tussen Washington en Beijing. Kissinger vindt dat de Amerikaanse regeringen in het recente verleden teveel het accent hebben gelegd op mensenrechten. 'Vier jaar na de gebeurtenissen op het Tiananmenplein in 1989 werd de Amerikaans-Chinese dialoog stopgezet omdat de Amerikanen besprekingen op hoog niveau weigerden- een maatregel die nooit werd genomen tegen de Sovjet-Unie, zelfs niet op het hoogtepunt van de Koude Oorlog.' Amerikanen begrijpen onvoldoende dat China het land is met de langste traditie van onafhankelijke buitenlandse politiek gebaseerd op nationale belangen. China is trots op haar geschiedenis en cultuur en kent een sterke nationale cohesie. Kritiek uit het westen wordt als een diepe belediging beschouwd en roept ressentimenten op die stammen uit de vorige eeuw, toen het westen zich een ongebreideld interventionisme meende te kunnen permitteren in het 'Rijk van het Midden'.

Ook met betrekking tot Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie pleit Kissinger voor een realistischer politiek. De politiek van Washington was tot nu toe met name gebaseerd op personen als Gorbatsjov en Jeltsin. Dat versluiert de onderliggende dynamiek zoals de wederopbloei van het aloude Russische nationalisme en imperialisme. Waarom heeft Rusland nog steeds militairen gelegerd in voormalige Sovjet-republieken, die nota bene als soevereine staten zijn erkend door de Verenigde Naties? Waarom bezoeken Amerikaanse diplomaten deze staten zo weinig en wordt er niet vaker pressie op Moskou uitgeoefend om deze gebieden met rust te laten? 'Hervormingen in Rusland zullen eerder belemmerd dan bevorderd worden als het westen hier blind voor is.' Hierdoor zou het ontluikende machtsevenwicht in Oost-Europa maar ook in Azië wreed kunnen worden verstoord. Kissinger wijst erop dat verreweg de meeste Russische diplomaten carrière hebben gemaakt binnen de berekenende elite van de communistische bureaucratie. 'Ze zijn gewend aan denken in machtstermen en verwachten dat de westerse tegenspelers hen ook in een nieuwe wereldorde als volwassen machtspolitici tegemoet treden.'

Al heeft Kissinger in dit boek meer oog voor de inspirerende werking van Amerikaanse idealen dan in zijn eerdere studies ook nu slaat de balans dus weer door naar de keiharde, cynische machtspolitiek. De indruk ontstaat dat slechts Nixon (en Kissinger zelf) echt wist te ontsnappen aan de Wilsoniaanse concepten, die ten grondslag lagen aan de buitenlandse politiek van latere presidenten, inclusief Reagan en Bush met respectievelijk een virulent anticommunisme en een nieuwe wereldorde gebaseerd op het vage, universele legalisme van de Verenigde Naties.

Dit is een te eenzijdige interpretatie van de Amerikaanse buitenlandse politiek. Kissinger heeft zich waarschijnlijk teveel laten (ver)leiden door de retoriek van bijvoorbeeld Roosevelt en Kennedy. De laatste mocht dan hebben uitgeroepen dat het Amerikaanse volk voor de vrijheid van de mensheid "elke prijs wenste te betalen en zich elk offer wilde getroosten", achter deze façade van welsprekendheid ging een voorzichtig pragmatisme schuil.

Zwijgen

Mijn bezwaar is ook dat Kissinger zich teveel richt op de nieuwe grootmachten en huidige brandende kwesties als Bosnië en Somalië teveel trivialiseert door er vooral over te zwijgen. Kissinger komt niet veel verder dan de voorspelling dat dit soort kwesties in de huidige chaotische wereld met z'n verschuivende machtspatronen steeds vaker zullen opduiken. Terecht merkt hij op dat ze niet direct het belang van de Verenigde Staten raken en niet allemaal en uitsluitend door de Verenigde Staten kunnen worden opgelost. Maar hoe moeten kwesties als deze, die de levens van miljoenen mensen raken, dan wel worden geregeld? Kissinger bestudeert de buitenlandse politiek en is er zelf een product van. Hij moet toch in staat zijn iets van een bevredigend antwoord te formuleren. Maar helaas, deze legitieme vraag valt buiten het machtspolitieke kader van dit reusachtige boek, dat hierdoor dan toch z'n beperkingen kent.

 

Terug

 

Elke vrijdagmiddag een kruiswoordpuzzel

Voor een Amerikaanse president is Bob Woodward de meest gevreesde journalist ter wereld. Sinds zijn onthullingen (samen met Carl Bernstein) over de Watergate affaire in All the President's men en The Final Days heeft de journalist van de Washington Post een welhaast mythische status en daar maakt hij van tijd tot tijd gretig gebruik van.

Met een vaardige pen biedt Woodward altijd een fascinerende kijk in de keuken van de regeringspolitiek. Niemand heeft meer kontakten binnen de 'inner circles' van de Washingtonse slangenkuil. Woodwards boeken zijn een aaneenschakeling van interviews waarbij Woodward absolute anonimiteit garandeert. Wie meewerkt kan mede de toon zetten. Woodward krijgt altijd invloedrijke betrokkenen aan de praat. Per definitie baart hij opzien en hij is altijd controversieel. Voorbeelden te over.

Nixon ontkende Watergate. Natuurlijk kreeg Woodward gelijk, maar nog steeds blijft de rol van deep troat, de verklikker, mysterieus. Reagan nam in felle bewoordingen afstand van Veil, het boek waarin tijdens een dramatische sterfbedscene CIA directeur Bill Casey opbiechtte dat hij (en de regering) op de hoogte was van de Iran Contra samenzwering. En George Bush verwierp furieus de onthulling uit Woodwards laatste boek The Commanders dat generaal Colin Powers tegen de Golfoorlog was.

In The Agenda is nu Clinton aan de beurt. Waarschijnlijk om zijn in allerlei televisiepraatshows aangekondigde onthullingen wat extra kracht bij te zetten, dringt Woodward op de eerste pagina's zelfs door tot in de slaapkamer van de Clinton's.

Het is augustus 1991 en de Clinton's worden wakker in de gouverneurswoning in Little Rock. 'Al maandenlang wist ze dat hij het moest gaan doen, al besefte hij het zelf nog niet helemaal. 'Ik weet niet of ik het nou wel echt wil. Is het allemaal de moeite waard? ' vroeg hij zich onzeker af. ',Ik vind dat je het moet doen,' zei Hillary. 'Meen je dat? ' 'Yeah', riep Hillary uit.'

Zo wordt natuurlijk een karikatuur gemaakt van Clinton's beslissing om mee te doen aan de presidentsverkiezingen. Ook in dit boek lijkt Woodward weer precies te weten wat een president denkt en voelt. Meer dan 250 direct betrokkenen hebben interviews gegeven (inclusief de Clinton's) voor het boek, maar nergens staat wie dat gezegd heeft. Dat weten we pas in 2034 want tot die tijd heeft Woodward zijn onderzoeksmateriaal verborgen in de bibliotheek van de Yale Universiteit.

De onthullingen in dit boek zijn mager te noemen. Uit allerlei biografieën wiste we al lang dat Hillary een grote invloed had op het beleid van de gouverneur, bij voorbeeld ten aanzien van de gezondheidszorg en het onderwijs in Arkansas. Van tevoren wisten we dat zij de meest invloedrijke 'first lady' zou worden uit de Amerikaanse geschiedenis. 'You vote for one and you get two of them' grapte ook Bill met enige regelmaat in de verkiezingscampagne.

Ook reeds voor het verschijnen van The Agenda is in de pers veel geschreven over de typische managementstijl van de president. In tegenstelling tot presidenten als Bush en met name Reagan, die de diverse uitgediscussieerde beleidskeuzes in multiple choice vorm op een blaadje kreeg aangereikt, bemoeit Clinton zich met de kleinste details en neemt hij vrijwel geen rust. Als na een urenlange discussie over een heikel probleem een consensus gloort is Clinton in staat om nog weer eens alle voor en nadelen af te wegen maar nu vanuit andere gezichtshoeken. Tot diep in de nacht duren deze marathondiscussies, waarbij Clinton volgens Woodward nog steeds meer de academisch denkende rechtenprofessor van vroeger is dan een politiek opererende president. Clinton houdt van chaos en boetseert van daaruit heel langzaam een opinie. Clinton was nog geen maand president toen een plaatselijke krant in Washington zijn team van adviseurs vergeleek met een bord spaghetti. 'Alles en iedereen loopt door elkaar heen en de president lijkt het alleen maar aan te moedigen.'

Net als Jimmy Carter bemoeit de hyperactieve Clinton zich met van alles en nog wat tot aan de schema's voor de tennisbaan toe. Zelfs tijdens de verplichte drie uurtjes rust in de middag leest Clinton vijf a zes boeken tegelijk en lost hij nog even gauw een kruiswoordpuzzel op.

In Little Rock kon Clinton het zich permitteren om zich overal mee te bemoeien, als president dreigde hij te bezwijken aan de nog veel grotere werkdruk. Extra handicap is dat jeugdvriend en stafchef Thomas 'Mack' McLarty een zachtaardig man is, die iedereen te vriend wil houden en niet in staat is om de president af te schermen. Een niet zo gewaagde voorspelling van Woodward is dat 'Mack the Nice' zijn langste dagen in het Witte huis gehad heeft en dat dat ook geldt voor perswoordvoerster Dee Dee Myers, die in snikken uitbarstte toen ze hoorde van het nieuws dat de Republikein David Gergen tot hoge adviseur van de president werd benoemd om hem te disciplineren en de staf ('een pupillenteam waarbij iedereen een andere kant op loopt') te ordenen.

Toch kunnen deze manoeuvres nog gemakkelijk afgedaan worden als aanvangsperikelen. Vrijwel iedere president neemt uit dank voor bewezen diensten tijdens de campagne stafmedewerkers mee uit zijn thuisstaat, die dan in Washington als vertrouwensfiguren zonder echte politieke ervaring fungeren. Bij John Kennedy was dat de Bostonse kliek uit Massachutetts en bij Jimmy Carter de 'Georgia Maffia'. Ook Reagan en Bush hebben regelmatig overhoop gelegen met hun stafmedewerkers en velen van hen na korte tijd weer ontslagen. Het interessantste deel van Woodwards boek handelt over de politieke gedaantewisseling die direct plaats vond na de inauguratie. In de VS lijkt dat vaker voor te komen dan bij ons wat met name te maken heeft met het feit dat een president niet formeel is gebonden aan een verkiezings- of partijprogramma (het zgn. 'platform') en bovendien de leider is van een politieke partij, waarin vaak sterk afwijkende maatschappelijke standpunten zijn vertegenwoordigd, wat een president nogal wat bewegingsruimte biedt. Iedere president wordt vroeg of laat van kiezersverraad beschuldigd maar dat was bij Clinton wel heel sterk het geval.

Het centrale punt in zijn verkiezingscampagne was een belastingverlaging voor de middenklasse en grootscheepse, publieke investeringen op het gebied van moderne technologie ('computer-highways'), onderwijs (studiebeurzen in ruil voor sociale dienstplicht) en een nationale gezondheidszorg naar West-Europees model. Die verkiezingsbeloftes zijn in snel tempo ingeslikt en Woodward legt uit dat Clinton, tegengesteld aan zijn neo-Keynesiaanse opvattingen, geheel in de ban raakte van het fiscale conservatisme van Wall Street, dat in Alan Greenspan, de directeur van de Federal Reserve Board' haar belangenbehartiger heeft . Voortaan predikte Clinton bezuinigen teneinde het kolossale begrotingstekort weg te werken,

waardoor ook de inflatie en de rentestand laag werden gehouden. Campagne-strateeg James Carville roept in het boek wanhopig uit dat 'hij vroeger ervan droomde om opnieuw geboren te worden als predikant of paus, maar dat hij nu zou kiezen voor een baan op de beurs omdat hem gebleken is dat daar de wereld echt wordt geregeerd.'

Woodward beweert dat Clinton zich bij zijn ruk naar het politieke midden met huid en haar heeft uitgeleverd aan Greenspan, maar evengoed kan worden opgemerkt dat iedere president te maken krijgt met de grote macht van deze centrale geldinstelling en dat juist Clinton nog een enkele kritische kanttekening hierbij plaatste. Tegen een adviseur brulde hij in een van zijn befaamde woede-uitvallen: 'Je wilt me dus vertellen dat het succes van mijn (economische) programma afhangt van de Federal Reserve en een 'f... .' (Amerikaans scheldwoord) bende van effectenhandelaren? ' De president kleurde rood van woede en ongeloof.

Verderop in het boek roept Clinton tijdens een stafvergadering cynisch uit: 'Waar zijn de Democraten gebleven? Ik hoop dat u zich ervan bewust bent dat we allemaal Eisenhower Republikeinen zijn en dat we vechten tegen de Reagan Republikeinen. We komen op voor een lager begrotingstekort, vrijhandel en de obligatiemarkt. Is dat niet geweldig? ' Zoals bekend koos Clinton in zijn budget van vorig jaar voor een vermindering van het begrotingstekort in 1997 met een kleine 200 miljard dollar. Ook remde hij de groei van de medische zorg voor armen af.

Al met al biedt The Agenda dus weinig nieuws en het is al helemaal niet de synthese van moderne geschiedschrijving en onderzoeks-journalistiek, wat Woodward zo uitdrukkelijk pretendeert. Nog niet zo lang geleden was het traditie om een president na vier jaar te beoordelen, om althans enige distantie in de tijd te verkrijgen na een afgesloten periode. Woodwards boek onderstreept het verlangen naar die goede gewoonte. Er is nog geen eens een belangwekkend boek over de laatste verkiezingscampagne gepubliceerd. The Agenda biedt hooguit een spannend kijkje in de regeringskeuken.

 

Terug