1993
2008 • 2007 • 2006 • 2005 • 2004 • 2003 • 2002 • 2001 • 2000 • 1999 • 1998 • 1997 • 1996 • 1995 • 1994 • 1992 •
| Liberalisme met Roosevelt ten onder | Hans Veldman: Om de erfenis van Roosevelt. Vijf Amerikaanse liberalen over het Amerikaanse liberalisme na 1945. Bzztoh | 27-03-1993 |
| Edgar Hoover als vorst in een absurde, luxe wereld | Anthony Summers, Official and Confidential. The Secret Life of J. Edgar Hoover | 06-03-1993 |
| Wie Heinz niet kent, zal ook Kissinger nooit doorgronden | Walter Isaacson: Kissinger. A biography. Simon en Schuster | 20-02-1993 |
Liberalisme met Roosevelt ten onder
We weten niet zo goed raad met het Amerikaanse liberalisme. Waar moet de stroming precies geplaatst worden binnen het politieke spectrum? De meeste liberalen kom je weliswaar tegen binnen de Democratische Partij, maar ook de Republikeinen hebben altijd een belangrijke liberale factie gekend.
Ooit was George Bush voor zijn conservatieve bekering een representant hiervan. Van een onafhankelijke beweging met een afgebakende ideologie is geen sprake. Ook heeft zich al decennia lang geen echte leider gemanifesteerd, die het liberalisme een eigen gezicht kon geven. Veelal komen we niet verder dan een vage vergelijking met onze PvdA of D66. De Haagse historicus Hans Veldman heeft een geslaagde poging gedaan om het liberalisme nader te typeren. Juist vanwege het pragmatische karakter van dit liberalisme heeft hij terecht gekozen voor interviews met vooraanstaande Amerikaanse liberals als Arthur Schlesinger en John Galbraith.
Het vertrekpunt van zijn boek is natuurlijk de alles overheersende president Franklin Roosevelt, die in de crisisjaren met zijn New Deal de contouren van een verzorgingsstaat ontwierp. Volgens Schlesinger (en Veldman) was Roosevelt de 'peetvader van het liberalisme'.
Op zijn ministeries wemelde het van de bevlogen, progressieve academici, die allemaal geloofden in zoiets als de maakbaarheid van de samenleving. Veldman interviewde ook de onlangs overleden blanke burgerrechtenadvocaat en liberale leider Joseph Raub. Weemoedig sprak hij over " de geest van 1935, die nooit meer terug zal keren. 's Nachts brandden overal de lichten op de ministeries. We hadden speciale nachtsecretaresses. Wij werkten gewoon door. We dachten dat we het land aan het redden waren van de ondergang en ik denk nu dat we dat ook echt deden."
Na de dood van Roosevelt is het geleidelijk bergafwaarts gegaan met het liberalisme. Uit teleurstelling dat Truman niet echt het New Deal-beleid voortzette, werd in 1947 de liberale organisatie 'Americans for Democratic Action' (ADA) opgericht. In een tijd dat de Koude Oorlog oplaaide, wilden sommigen hierin ook een progressief, maar zeer anticommunistisch platform zien. Schlesinger en Galbraith, die toch wel het meest hun stempel op het liberalisme hebben gedrukt, koesterden echter nog voorzichtig het door Roosevelt gepropageerde consensusideaal van de Verenigde Naties. Ook hier bleek weer hun pragmatische, non-ideologische houding.
Radicalere liberalen, zoals Leon Keyserling, pleitten in de jaren vijftig en zestig voor meer economische groei en middels progressieve belastingwetgeving voor een herverdeling van welvaart. Een kwart van de bevolking leefde in armoede en daarom richtten deze 'kwantitatieve' liberalen zich op de kleine man.
Galbraith en Schlesinger voorzagen met hun 'kwalitatieve' liberalisme dat in de welvaartsmaatschappij van de jaren vijftig en zestig het armoedeprobleem spoedig zou verdwijnen. In zijn beroemde 'Affluent Society' wees Galbraith juist op de nadelige effecten van constante economische groei voor de Derde Wereld en het milieu. Dit elitaire liberalisme veroorzaakte een diepe kloof met andere liberalen binnen de ADA. Schlesinger was zelfs van mening dat een verlichte intelligentsia het volk moest leidden." De gewone man was na de oorlog zeer conservatief geworden."
Schlesinger vond dat deze elite op haar beurt weer geleid moest worden door een sterke leider. In John Kennedy zag hij zo'n krachtdadige, intellectuele leider, die het ook bij de grote massa goed deed. Het probleem is echter dat Kennedy even zo goed een pragmaticus met liberale als met conservatieve trekken genoemd kan worden.
In ieder geval is er na de moordaanslag in Dallas voor Schlesinger en de zijnen nooit meer zo'n leider geweest. Het liberalisme lijkt aan interne verdeeldheid ten onder te gaan. Ook de verschillende visies ten opzichte van de Vietnamoorlog fungeerden als een vroegtijdige splijtzwam binnen de liberale beweging.
Tot de dag van vandaag roept de bejaarde historicus dat Amerika in essentie een liberaal land is, maar Veldman toont overtuigend aan dat hier toch vooral de wens de vader van de gedachte is. Bij de Republikeinen lijkt het liberalisme, gezien het zeer conservatieve politieke programma, op sterven na dood. Bij de Democraten ontkende presidentskandidaat Michael Dukakis in 1988 publiekelijk ooit een liberaal geweest te zijn. En Bill Clinton kon alleen maar president worden door zich te afficheren als een conservatieve Democraat, die had gebroken met zijn liberale jeugdzondes.
Schlesinger en Galbraith bezoeken al jaren niet meer de vergaderingen van de gedecimeerde ADA. Vervuld van heimwee wachten zij op een nieuwe Roosevelt. Dat lijkt tevergeefs, want Veldmans interessante boek versterkt de gedachte dat Amerika in essentie juist een conservatief land is.
Edgar Hoover als vorst in een absurde, luxe wereld
In 1924 werd Edgar Hoover directeur van een kleine en slecht functionerende federale opsporingsorganisatie. In 1972 liet de FBI-directeur een gevreesde dienst na met meer dan tienduizend hoog opgeleide agenten en medewerkers, die zich o.a. bezig hielden met spionage, sabotage en nationale veiligheidsvraagstukken in de zeer brede zin van het woord. De FBI was als een spinnenweb verweven met de Amerikaanse samenleving. Hoover was de FBI. Hoover was Amerika.
Voor vele generaties Amerikanen gold Hoover namelijk als het toonbeeld van rechtschapenheid en moed. Hij was als een vaderfiguur, die zijn kinderen voedde met lepels vol van patriottisme in de strijd tegen het overal oprukkende communisme. Zijn boeken waren verplichte literatuur op middelbare scholen. Toen hij stierf, sprak Ronald Reagan: " Geen mens in de twintigste eeuw betekende meer voor Amerika dan Hoover." Een agent in Miami riep 'dat zijn vader was overleden'. En een mede-vrijmetselaar meende: " Toen broeder Hoover stierf, viel er een reus om en weenden de goden."
Hoover kreeg een staatsbegrafenis. Zijn kist werd geplaatst op de baar in het Capitool, waar ook Abraham Lincoln op had gelegen. Er werden scholen naar hem genoemd, er werd een Hoover-mars gecomponeerd en het FBI-hoofdgebouw in Washington werd met stralende gouden letters omgedoopt in " J. Edgar Hoover-building'
De laatste jaren was al sprake van revisionisme ten aanzien van dit heroïsche Hoover-beeld, maar de Ierse journalist en schrijver Anthony Summers heeft het nu geheel aan gruzelementen geslagen. Zijn biografische studie over Hoover is een weerslag van meer dan 800 interviews met mensen rondom Hoover. Dankzij de 'Freedom of Information-act' kon hij duizenden voorheen geheime documenten bestuderen. In Summers inktzwarte boek komt Hoover beurtelings over als een 'Oosterse potentaat', een man 'met het karakter van Heinrich Himmler' en als het Amerikaanse equivalent van 'Big Brother, who is always watching you'.
De 'eenvoudige' Hoover leefde in werkelijkheid als een vorst in een absurdistische wereld vol luxe. Zijn huis met alles er op en er aan werd betaald door de staat. Speciaal voor hem werden biefstukken aangevlogen vanuit Colorado. Als hij s'nachts zin had in een ijsje werden restaurants voor hem geopend en speelden FBIagenten voor ober. In het FBI-laboratorium werd een verwarmde WC voor hem ontwikkeld, die meteen werd vernietigd omdat de bril een centimeter te laag was. Zijn veelvuldige vakantiereizen naar Florida en Californië, waar de duurste hotels en restaurants werden betaald door bevriende miljonairs, werden eenvoudig bestempeld als dienstreizen. De rekeningen konden gemakkelijk oplopen tot over de 100.000 dollar.
Schrikbewind
Over zijn personeel voerde Hoover een waar schrikbewind. Wie tijdens de afsluitingsceremonie van de loodzware agentenopleiding Hoover een slap en/of zweterig handje gaf of teveel met 'een wijvenstemmetje' sprak kon alsnog door Hoover worden weggestuurd. Hoover schreef strikte kuisheid voor en een agent, die met iemand in bed werd betrapt, werd gedegradeerd of, in geval van homofilie, meteen ontslagen. Toen iemand ooit Hoover durfde tegen te spreken met de opmerking 'dat het om zijn verloofde ging en dat de FBI middels afluisterapparatuur geen krakende bedgeluiden had geregistreerd', werd de agent toch overgeplaatst naar Kansas-city en later Alaska, algemeen beschouwd als het Siberië van Amerika. Op Hoovers verjaardag werden van alle personeelsleden cadeaus en felicitatiebrieven verwacht. Hoover hield er een speciaal geheim dossier voor bij.
Summers heeft dus een uiterst scandaleus boek geschreven, dat in Amerika tot grote opwinding heeft geleid. Cartha DeLoach, Hoovers assistent-directeur, heeft het boek meteen naar de prullenbak verwezen. Op de Amerikaanse televisie verklaarde hij dat het 'louter vuilspuiterij bevat.' DeLoach, die overigens direct verantwoordelijk was voor het plaatsen van microfoons onder het hoofdkussen van Martin Luther King, wees met name op de onthulling van Susan Rosenstiel, de vierde vrouw van een seniele Newyorkse miljonair met maffiaconnecties. Zij beweerde dat Hoover in het Newyorkse Plaza-hotel als travestiet homoseksuele handelingen had verricht. In haar bijzijn zou 'Mary Hoover' sex hebben bedreven, terwijl een van de schandknapen uit de Bijbel moest voorlezen. Om Hoover te chanteren, zou Rosenstiel compromitterende foto's hiervan hebben doorgespeeld aan de maffia. DeLoach bestempelde Susan Rosenstiel als 'uiterst onbetrouwbaar', o.a. vanwege haar verdorven levenswandel zoals bleek uit een gevangenisstraf.
Inderdaad komt Summers hier en daar met een dunne bewijsvoering. Aan het eind van de jaren dertig zou iemand Hoover hand in hand hebben zien zitten in een auto met zijn levensgezel Clyde Tolson en dat wordt dan opgevoerd als een tweede belangrijk bewijs voor hun geaardheid. Summers weegt onvoldoende de zwaarte van zijn getuigen. Hun belang is voor de lezer niet goed controleerbaar. Soms gaat het bij voorbeeld om anonieme FBI-agenten, die om onbekende redenen wraakzuchtig kunnen zijn tegenover hun vroegere baas. De vele opgevoerde documenten hebben als nadeel dat ze op belangrijke plaatsen door FBI-agenten zijn verminkt.
En toch is Summers boek belangwekkend en voor toekomstige biografen een belangrijke bron voor verdere studie. Summers voert aan dat Susan Rosenstiel door een Newyorkse rechtbank als een 'uiterst betrouwbare' getuige werd beschouwd. In een eerder boek over Marilyn Monroe en de Kennedy's kwam hij met onthullingen, die in wetenschappelijke kringen zeer serieus werden genomen en tot nieuwe, verrassende onderzoeksresultaten leidden. Het pleit ook voor hem dat hij researchwerk heeft verricht voor kwaliteitsprogramma's van de BBC.
Summers grootste verdienste kan zijn dat hij een netwerk heeft bloot gelegd dat ook licht werpt op de moord op John F. Kennedy. Waarom heeft de mafia, die immers werd vervolgd door de Kennedy's, hem kunnen vermoorden met medeweten of zelfs medewerking van de FBI? Een FBIagent gaf vijf dagen voor de aanslag in Dallas al een tip door dat Kennedy zou worden vermoord. Een brief van Lee Harvey Oswald aan een FBI-agent zou op instructie van Hoover door het toilet zijn gespoeld. Zeker is dat Hoover persoonlijk heeft ingegrepen om het onderzoek naar zijn hand te zetten, waarbij de lokale autoriteiten in Dallas werden gepasseerd. Onderzoek naar een samenzwering, door een latere Congrescommissie nota bene waarschijnlijk geacht, werd ronduit door Hoover tegengewerkt.
De mafia kon Hoover onder druk zetten met de compromitterende foto's. Dat was al eerder gebeurd volgens Summers, want aan het eind van de jaren vijftig kwam het onderzoek naar de georganiseerde misdaad plotseling stil te liggen, precies in de week dat de foto's zouden zijn genomen. Hoover ontkende dat er een landelijke misdaadorganisatie was. Alles moest worden gezet op de strijd tegen de communistische infiltratie en dat terwijl maar een handjevol Amerikanen lid waren van de communistische partij, onder wie nogal wat FBI-infiltranten.
De ironie wil dat de gechanteerde Hoover juist zelf een meester in chantage was. Met een schat aan gegevens toont Summers aan dat Hoover vrijwel iedere president en met name John Kennedy onder druk zette.
Achter een facade van vriendelijke briefjes vol wederzijdse complimenten heerste een diepe haat tussen de Kennedybroers enerzijds en de FBI-directeur anderzijds. De reactionaire Hoover vond de broers veel te liberaal op het gebied van de burgerrechten, te soft in de strijd tegen het communisme en op persoonlijk vlak buitengewoon vrijgevochten. Bovendien bemoeide Robert Kennedy zich als minister van Justitie met zijn werk. De 'arrogante kwajongen' eiste zelfs dat Hoover een speciale telefoon op zijn bureau plaatste, zodat hij direct contact met hem kon opnemen. Hoover weigerde steevast zelf die telefoon op te nemen.
De vormelijke Hoover gruwelde van verhalen over de Kennedy's die op kousevoeten en in hemdsmouwen door het Witte Huis snelden of van foto's, waarop Robert met zijn benen op het bureau lag, terwijl hij dartspijltjes gooide tegen de muur. FBImensen hadden zelfs door het venster gegooide bierblikjes van hem verzameld en naar Hoover gebracht.
Vriendinnen
De Kennedy's zouden Hoover bij een eventuele herverkiezing van John in 1964 niet willen herbenoemen, maar werden in een vroeg stadium al succesvol onder druk gezet. Hoover liet fijntjes weten dat hij over een enorm dossier beschikte aangaande de vele vriendinnen van de president. Hoover doelde met name op Kennedy's geruchtmakende affaire in de Tweede Wereldoorlog met de Deense schoonheid Inga Arvad, die een goede vriendin van Goring en Hitler was. Ze zou met Hitler naar bed zijn geweest en noemde hem 'zeer charmant, zeer vriendelijk en een idealist'.
Daarnaast had hij compromitterende informatie over o.a. Ellen Rometsch, een Oost-Duitse spionne en Judith Campbell, die liefdesrelaties had met de hoogste maffiabazen van het land.
Uitgelekt nieuws over ook maar een van deze contacten zou als een bom zijn ingeslagen in het land en ongetwijfeld tot een afzettingsprocedure tegen Kennedy hebben geleid. Hoover beschikte ook over talloze bandopnames waarop de seksuele escapades van de president duidelijk te horen waren.
Volgens Summers heeft Hoover ook Johnson, zijn goede vriend en jarenlange buurman, over deze affaires ingelicht en zelfs geluidsopnames voor hem afgespeeld. De machtsbeluste Johnson kon er op zijn beurt Kennedy mee chanteren, die dan ook op de Nationale Conventie van 1960 dwars tegen eerdere beloftes in plotseling zijn 'vijand' Johnson tot vicepresidentskandidaat benoemde.
Niemand minder dan Kennedy's hondstrouwe en publiciteitsschuwe secretaresse Evelyn Lincoln heeft de lezing van Summers bevestigd.
En wie zo de manipulaties in dit boek doorleest, lopen als vanzelf de rillingen over de rug. Hoover, de bevriende oliemiljonairs, Johnson, de maffiabaas Oscar Marcello uit New Orleans, Lee Harvey Oswald en Jack Ruby: ze hebben allemaal iets met de FBI en dus met Hoover te maken. Steeds duiken de namen van New Orleans (Oswalds eerdere verblijfplaats) en Dallas op en alles wijst naar de datum 22 november 1963.
Maar de formeel juridische bewijzen zullen wel nooit boven tafel komen. Veel FBI-documenten uit de kamers van Hoover zijn na zijn dood immers op mysterieuze wijze verdwenen.
Anthony Summers schreef een scandaleus, fascinerend boek over J. Edgar Hoover, tot 1972 de directeur van de FBI. Summers schetst een potentaat van de bovenste plank die er zijn hand niet voor omdraaide om mensen te chanteren en dat terwijl hij gold als toonbeeld van rechtschapenheid en moed. Maar, Hoover zelf moest dansen naar de pijpen van de maffia die hem dreigde met compromitterende foto's van zijn homoseksuele uitspattingen.
Wie Heinz niet kent, zal ook Kissinger nooit doorgronden
HENRY KISSINGER is nooit zo spraakzaam geweest over zijn jeugd. In 1938 emigreerde hij weliswaar vanwege de naziterreur naar New York, 'maar,' zo zei hij ooit, 'jongeren zijn nog erg plooibaar en daarom worden ze niet blijvend beschadigd door negatieve ervaringen uit hun prilste jeugd'. Bij voorkeur vertelt Kissinger, ex-nationale veiligheidsadviseur en minister van buitenlandse zaken onder Nixon, dat hij afstamt van een 'Duits' middenklasse gezin. Het lijkt wel alsof Henry de jonge jood Heinz, die hij in Beieren was, niet meer wil kennen of hem gewoon heeft verdrongen.
Maar de historicusjournalist Walter Isaacson laat in de meest omvangrijke biografie die ooit over Kissinger is geschreven, zien dat wie Heinz niet kent, ook nooit Kissinger zal doorgronden. Iedere seconde van zijn jeugd werd Kissinger geconfronteerd met de gevolgen van de totale macht: chaos, willekeur en een terreur op een schaal zoals de wereld die nog nooit had gezien.
Op straat moest hij altijd opzij gaan voor een groepje Duitse jongeren, die het recht namen hem anders in elkaar te slaan. Kissinger was verslaafd aan voetbal, maar moest incognito de Duitse stadions binnenglippen. Zijn vader werd natuurlijk op staande voet ontslagen. Dergelijke traumatische ervaringen hebben hem voor het leven getekend.
In New York genoot Kissinger van zijn eerste wandeling. Hij hoefde voor niemand om te lopen en was meteen in de ban van de Amerikaanse Droom. Hij werd Amerikaanser dan de meeste Amerikanen. Hier kon hij voor het eerst zelf gestalte geven aan zijn leven. Met tomeloze energie, gekoppeld aan een hoge intelligentie, klom hij op van avondscholier, die overdag in de fabriek werkte, naar adviseur van de regering-Kennedy. Als jonge Harvard-intellectueel werd hij niet, zoals veel van zijn generatiegenoten in de jaren vijftig en zestig, begeesterd door het 'softe' liberalisme met z'n nadruk op mensenrechten, pacifisme en een zorgzame overheid, maar een conservatieve 'hardliner', die bezeten was van de macht. Macht gaf zekerheid. In z'n jeugd had hij er voor moeten buigen.
Als historicus had hij van de negentiende eeuwse Oostenrijkse staatsman Von Metternich geleerd hoe het machtsevenwicht via geheime onderhandelingen, samenzweringstactieken en militaire kracht in stand moest worden gehouden. Vrijheidsbewegingen als het liberalisme en totalitaire ideologieen als later het communisme en het fascisme hadden in de moderne tijd geknaagd aan de wortels van deze 'balance of power'. In Isaacsons studie komt Kissinger naar voren als de perfecte synthese van Bismarck en Machiavelli: om zijn 'realpolitiek' tot een succes te maken, waren alle middelen geoorloofd.
De welhaast paranoïde Nixon voerde in het Witte Huis en ook wel ver daarbuiten een samenzweringspolitiek en liet meteen zijn oog vallen op Kissinger als zijn perfecte medesamenzweerder. De twee lieten op grote schaal eigen ministers afluisteren, waarmee de kiem werd gelegd voor het latere Watergate-schandaal.
Volgens Kissinger waren de 'schandelijke' onthullingen inzake Watergate verantwoordelijk voor de ondermijning van de internationale positie van de Verenigde Staten. De verzwakte Nixon-regering moest zich daarom wel terugtrekken uit Vietnam. In werkelijkheid wilde Kissinger het Amerikaanse leger naar huis halen omdat de oorlog, gezien de grote verliezen op het slagveld en de zwakte van Zuid-Vietnam, niet meer in Amerika's belang was. In Parijs voerde Kissinger in het grootste geheim onderhandelingen om zo de andere ministeries in Washington, zoals het Pentagon, buiten te sluiten en de Zuidvietnamese regering op slinkse wijze te verraden. Teneinde dit voor Saigon te verhullen, werd Hanoi nog even door de Amerikanen plat gebombardeerd. Isaacson meent dat de grote aantallen slachtoffers Kissinger en Nixon niet interesseerden en vindt het dan ook niet verwonderlijk dat Kissinger zich 'zeer gegeneerd voelde toen hij de Nobelprijs voor de Vrede kreeg'.
Door de terugtrekking uit Vietnam waren wapenverminderings-gesprekken met de Sovjets mogelijk, maar tegelijkertijd werkte Kissinger aan een nieuw machtsevenwicht waar ook China bij werd betrokken. De twee communistische landen zouden zo gemakkelijk tegenover elkaar kunnen worden uitgespeeld.
Isaacson geeft Kissinger de eer dat hij de grondlegger is geweest van de 'balance of power' in het post-Koude Oorlogtijdperk. Hij initieerde de ontspanningspolitiek met de Sovjet-Unie en China. Wat Kissinger verweten kan worden, is 'dat hij onvoldoende begreep dat de supermacht Amerika ook een democratisch land is en dat bij ieder internationaal conflict naast machtspolitieke overwegingen ook morele motieven een belangrijke rol spelen'.
Zo ging tijdens de coup tegen Allende Kissinger weer eens zijn boekje te buiten. De pro-Amerikaanse junta in Chili kreeg van tevoren van Kissinger te horen dat na de omverwerping van de socialistische regering de financiële steun gewoon zou worden voortgezet. De mensenrechten werden massaal geschonden, maar volgens Kissinger moest een politicus zich daar niet mee bemoeien." Dat is het werk van missionarissen."
Isaacson heeft zijn indrukwekkende standaardwerk op het juiste moment geschreven. Duizenden documenten zijn recentelijk vrijgekomen. Veel van Kissingers tijdgenoten zijn nu gepensioneerd en zijn eerder bereid tot een gesprek. Als historicus toont hij zich een grondig onderzoeker, als gerenommeerd journalist van Time stelt hij de juiste vragen. Het boek is uniek omdat Isaacson honderden Kissinger-insiders heeft geïnterviewd. Kissinger zelf is twaalf keer ondervraagd. (Voor Kissinger geen probleem. Het ging immers om zijn favoriete onderwerp.) Maar anders dan in de politiek heeft hij zijn 'opponent' niet naar zijn hand kunnen zetten.
In dit boek komt vooral een boosaardige Kissinger naar voren, totaal verslaafd aan de macht. Ooit zei Nixon tegen Golda Meir: " Mijn stelregel in de internationale politiek is: Doe anderen aan wat ze jou aan willen doen." Waar Kissinger aan toevoegde: " Plus tien procent." Misschien sprak hier meer nog een wraakzuchtige Kissinger, gezien zijn mislukte jeugd.
Walter Isaacson schreef tot nu toe de dikste biografie over Henry Kissinger. Kissingers enorme machtshonger is terug te voeren op de traumatische ervaringen in zijn jeugd in Duitsland. Eenmaal in Amerika blijkt de latere veiligheidsadviseur nietsontziend. De slachtoffers in Vietnam interesseerden hem ook niet echt. Geen wonder, concludeert zijn biograaf, dat Kissinger zich zeer gegeneerd voelde toen hij de Nobelprijs voor de Vrede kreeg.
In Isaacsons studie komt Kissinger naar voren als de perfecte synthese van Bismarck en Machiavelli.
